Fotografische kras

Van die schitterende foto’s. Gemaakt in het stenen tijdperk van de koers. Door een onbekende fotograaf, die een duidelijke liefhebber was van de levensgevaarlijke stayerskoersen. Trouwens, iedereen in het compleet uitverkochte Steglitzwielerbaan. De Berlijnse piste, voor een gemiddelde sensatiebak dé hangplek. Eerst even over de Steglitzwielerbaan, Berlijn, anno 1903. Met de Golden Rad  van Berlijn op de aanplakbiljetten. Stayerskoers over honderd kilometer. Dertigduizend toeschouwers, zes stayers én die ene onbekende fotograaf. De laatste ‘op scherp’, kwam aan zijn trekken, en kerfde een fotografische kras in de wielergeschiedenis. Met dank aan gangmaker Ernst Wolf.
Volgens Ernst was het namelijk mogelijk, om met razende vaart zijn motor door een piepkleine opening te sturen. Wat nét niet lukte. Een collectieve siddering door de volle rangen. Wolken dwarrelende houtsplinters afkomstig van de boarding. Krassend, huilend geluid van metaal over hard beton. Renner Eugene Bruni rakelings scherend langs de motor én de poorten van de hel. En Ernst? Die mankeerde weinig. Voor even… De adem van Hein voelde hij al in zijn nek.
Ernst Wolf dus. Een adrenalinejunk zonder besef. Anno nu, ongetwijfeld met aan een elastiek verbonden, in diepe ravijnen gesprongen. Zo’n idioot dus, want de adrenaline gaf hem dé ultieme kick, voor het krijgen van een stijve pik: hetgeen niet alleen lekker rijmt maar ook nog de waarheid was.
Na zijn val eiste Ernst wel zijn dubieuze hoofdrol op. Trots poserend, omringd door sensatiezoekers, bobo’s en andere lijkenpikkers, naast het gecrashte wrak van zijn motor en strak kijkend in de lens van die onbekende fotograaf.
Tijdens de Grote Prijs van Dresden, gehouden op 29 oktober 1907 verongelukte Ernst Wolf, 28 jaar

En de Monnik trok ten aanval

Werelduurrecordhouder achter de derny, Maas van Beek, ging vandaag zijn eigen record aanvallen. Plaats van handeling, de wielerbaan van Moskou.

Je hebt Maashaters én Maasadepten. Tussenweg bestaat niet. De laatste zijn supporters tot de laatste snik. Om fan van Maas van Beek te zijn vereist enig doorzettingsvermogen. Maar dan krijg je ook wat. Maas van Beek, een ietwat rare kerel afkomstig van de schrale zandgronden, van de Veluwe. Met zijn tweeënzestig jaar angstig dicht bij de geriatrische status. Neemt niet weg dat de man een paar jaar geleden de wielerwereld versteld liet staan door het werelduurrecord achter de derny met 66.639 meter te verbreken.
Altijd leuk om te zien hoe zijn voorgangers als een Peter Post en anderen zogenaamde wielervedetten, uit de recordboeken werden gesmeten. Wat tevens de Maashaters én supporters van Post het schuim van woede om de bek bezorgde.
De recordhouder een man van eigenaardige trekjes, want wil graag ‘de monnik’ genoemd worden: zoals gezegd, Maas van Beek is een tikkeltje knots. Maar dat zijn wél de leukste mensen in de duffe, grijze, en achterbakse wielerwereld. Voor zijn eigen ego, maar ook voor zijn supporters was Van Beek drie weken geleden afgereisd naar Moskou. Waar Maas, op de lokale, driehonderd meter en supersnelle wielerbaan, zijn eigen record scherper wil stellen.
Als voorproefje kregen zijn hondstrouwe fans, via de whatsapp, iedere morgen een door de recordman gemaakt filmpje. Waarvan enkele, onbedoeld, tot de meest geestige in zijn soort behoren. Filmpjes met de Monnik in de hoofdrol. Zoals die ene waarop Van Beek,  zijn harses met een soort grasmaaier kaal scheert, en ondertussen, volkomen onverstaanbaar,  zijn woeste plannen orakelt. 
Of Van Beek aan het ontbijt, met voor zich een stapel boterhammen én een schaal hardgekookte eieren waar ze in een gemiddeld weeshuis in Wladiwostok elkaar de hersens voor inslaan.
Maar we gaan niet afdwalen, want dit gaat over de Monnik’s recordaanval. Over Monniken gesproken: je bent pas een echte als er eerst geleden wordt. Dat had die Ouwe van de Veluwe goed onthouden. Drie weken Moskou, betekende even zo lang verblijven in een Stalinistisch ingericht kamertje,  bevindend in het Sportpaleis vlak boven de wielerbaan.
Dat Van Beek dagelijks trainend achter gangmaker Ivan Kovalev, is ter kennisgeving. Aardig te vermelden is ook Maas’ zelf  geknutselde zuurstofmasker, aangesloten op een soort strandbal, waarmee de Monnik, op een hometrainer,  zijn eigen hoogtestage deed. Je moet daar toch niet aan denken. Een gewoon mens valt dood neer.
Maas van Beek, gehard op de boerderij van zijn ouders, en ooit de ziekte kanker overwonnen, deed vanmiddag zijn beslissende aanval. Niet geheel toevallig op de elfde van de elfde: Narrentijd. Een aanval,  live op facebook te volgen, die tot aan de vijfentwintigste minuut duurde.Van Beek, niet achter zijn lucht komend, blies zijn eigen aanval op. De Monnik stopte. Om op het middenterrein gedesillusioneerd zijn verhaal te doen. Beestachtig had hij afgezien. En nee, hij doet nooit meer een poging. Dat was zijn laatste aanval op zijn eigen wereldrecord. Maakt ook niks uit. Maas van Beek glijdt evengoed de geschiedenis in als een Held.

Foto 2: Van Beek met gangmaker Kovalev.

Ode aan Fritz

11 November, Wapenstilstanddag, het einde van de Eerste Wereldoorlog. Via de media groot herdacht waarbij Duitsland per definitie wordt overgeslagen. Enfin, aan die politiek correcte malligheid doet deze blog niet aan mee, daarom een kleine ode aan Fritz Hitzler…

Fritz Hitzler, stayer in de marge. Kwam voornamelijk uit op de kleine, obscure Duitse wielerbanen: het voorgeborchte van het tweede garnituur. Fritz’ collega’s, opportunistische kerels, ‘los in de broek’, met het verstand in de snikkel. Actief in een omgeving waar het niet zó nauw genomen werd met de veiligheid. Waar het credo was Gott mit Uns. Wielerbaantjes waar renners regelmatig, bevend als een verwarde hond, van af werden geschraapt. En waar de amputeerzaag én het lancet onder handbereik van de baanarts lag.
Soms mocht Fritz opdraven bij de grote koersen. Als programmavulling. Hitzler, vanaf 1905 tot 1908 zes gewonnen koersen en harkte daarbij zo’n tienduizend goudmark bij elkaar. Even ter vergelijking: Piet Dickentman verdiende alleen al in het seizoen 1904 meer dan vijfentwintigduizend goudmark.
Fritz, afkomstig uit het Zuidduitse Ulm, een desolate stayer van niks, maar wél een pragmaticus. De man trok zijn conclusie. In 1910 meldde Fritz zich, samen met ene Adolf Meichsner bij de Brennabormotorenfabriek, waar een een gangmaakmotor werd aangeschaft. Zo’n monsterlijke tweezitter. Een rijdend projectiel. Door twee man nauwelijks in bedwang te houden. Adolf Meichsner aan de gashendel. Fritz als stuurman.. En Kurt Riesler als renner.
Een wanhopig trio. Vier koersen werden gewonnen. Wat nog geen achtduizend goudmark opbracht. Dan is het zomer 1914: de eerste Eerste Wereldoorlog gaat los. De jongens van de Keizerlijke Wehrmacht vallen België en Frankrijk binnen.
Fritz Hitzler, (het scheelt maar één letter, maar tóch…) trok ook ter oorlog. Als infanterist bij het 15e Beierse Infanterieregiment vocht Fritzl tussen de Maas en Moezel.

Tijdens Fritz’ stayersjaren moet het tamelijk druk zijn geweest in de hel. De Ulmner beëindigde namelijk ongeschonden zijn carrière. Aan het Westfront had Fritzl minder geluk. Op 27 oktober 1914 voelde Fritz een rare, scherpe pijn in zijn schouder. Een Franse sluipschutter trof raak. Gewond opgenomen in het Feldlazeret stierf Fritz, 34 jaar, twee weken later.

Bron: Radwelt jaargangen 1905 tot en met 1914, Kriegsalbum der Radwelt jaargang 1915.

Fout verleden

Die ene vraag! Want wie koerste er ooit op deze fiets? Een vraag, die drie jaar lang opspeelde. Dat de fiets ruim zeventig jaar oud is, is zeker. Dat de berijder een grote kerel was ook.  En wie was dan die renner langer dan 1.90 meter? Maar eerst even de proloog van deze column vertellen.
De vraag werd namelijk gelanceerd tijdens een groot sprinttoernooi, gehouden in het Amsterdamse Velodrome, zo’n drie jaar geleden. Waar, om de boel op te leuken, op het middenterrein een collectie historische fietsen stond uitgestald. Fietsen uit de befaamde verzameling van Otto Beaujon. En tussen de antieke karretjes stond hij daar. Platte banden. Gebutst en oud. Vele veldslagen overleeft. Maar nog steeds een schoonheid. Een  stayersfiets gebouwd in het atelier van de gebroeders Bustraan. Eén brok geheimzinnigheid op twee wielen. De onderdelen waren duidelijk van vóór de oorlog. Het frame duidde weer op de late jaren veertig. En niet alleen dát. Het frame was gigantisch groot. Nóóit eerder gezien.
Wie daar ooit op gekoerst had..? Beaujon  wist het niet. Ja, dat de fiets vijftig jaar had staan te verstoffen op de zolders van RIH-Sport. En dat hij deze gekregen had nadat  Willem van der Kaaij, de laatste eigenaar van de illustere fietsenzaak, de winkeldeur definitief sloot.
Uiteindelijk lag de oplossing vlak voor de hand. De katalysator hier voor: het interview met Jan Mehagnoul (zie verhaal hier onder). Jan, halverwege de fifties een geducht profstayer, maar ook een boom van een kerel,  vertelde ondermeer dat hij als beginnend profstayer de stayersfiets van Gerrit Schulte had overgenomen. Bingo!
Schulte, groot postuur, winnaar van bijna vijftig Zesdaagsen, en een toenmalige vedette. Maar als stayer een mislukking. De man kon er geen reet van. Jan Mehagnoul, kocht diens fiets. Waarbij Schulte  even wat lugubere details onthulde. De onderdelen van deze fiets had de Zesdaagsecrack namelijk na de oorlog, over genomen van Cor Wals. Wals een getormenteerde maar begenadigde baanrenner  nam tijdens de oorlog dienst bij de Waffen-SS. In  1941 schreef Wals een bedenkelijke geschiedenis door, in het Olympisch Stadion, een stayerskoers te rijden gehuld in een shirt met het SS-teken: Een provocatie die hem zijn levenlang nagedragen werd. Dat was toen. Wals en Schulte zijn niet meer. Maar de fiets wel, als symbool van een ooit glorierijk stayersverleden.

Zoute snorren

Geen confettikanonnen, noch spuitende champagneflessen. Een witte ‘regenboogtrui’? Nooit van gehoord. Ook geen enge, hysterische toestanden met een zwaaiende, nationale vlag. En kortgerokte, dellerige rondemissen kwamen alleen voor in duistere nachtmerries. Werd je in 1907 wereldkampioen dan kreeg je een zak geld, een gouden medaille én een hand. Meer niet. En dat laatste zat per definitie vast aan een met zich zelf zo ingenomen politici. Van die opportunistische gladjakkers, met een perfect gevoel voor publiciteit.
Als verse wereldkampioen moest je dat maar laten wel gevallen. Had je zojuist honderd kilometer lang, achter een knetterende en razende motor, je leven op het spel gezet. Waar bij het bloedende scrotum, het zeem van je koersbroek soppig maakte. Val je in de handen van zo’n enge hap. Mannen, met hoge goochelaarshoeden, wurgende, stijve nekboorden, en snorren die stijf staan van het ‘zout’: strak kijkend in de lens van de fotograaf.
Welkom in het Parc des Princes op 7 juli 1907. Decor van het wereldkampioenschap stayeren. Uitverkocht huis. Met lokale favoriet Louis Darragon.  Die de honderd kilometer afraasde in een uur en achttien minuten. De brave Louis. Kreeg behalve de wereldtitel die genoemde zak met achthonderd rinkelende Duitse goudmarken. Darragon moest daarvoor afrekenen met Karel Verbist en George Parrent. Dat Dussot, Loregeo en Rosenlöcher het rijtje kompleet maakte was aardig voor de statistieken. En meer niet.
Even terug naar Darragon. Je moet toch helemaal van de pot zijn gerukt om niet te weten dat Louis zich het liefst onderdompelde in het woeste feestgedruis van zijn supporters. Het proletariaat dus. Die ondanks de Franse Revolutie wél zijn plaats moest kennen. Eerst de bourgeoisie. En dán de ‘wijn en Trijn’. Enfin, Louis’ supporters bleken van het trouwe soort te zijn. Nadat Darragon in november 1917, in het Velo d’Hiver in Parijs dodelijke verongelukte stonden honderdduizenden Parijzenaars op de stoepen om afscheid te nemen van hun held. Of ze dat ook deden met die  rukkers met die hoge hoeden, op de foto…?

Man van eer

De man was niet te koop. Daarvoor was hij té rechtlijnig. Een eigenschap die niet genoeg geprezen kan worden. Maar tevens een obstakel in de slangenkuil dat stayeren wordt genoemd. Ondanks dát behoorde hij ooit tot dé grote talenten achter de motor. Nu, meer dan zestig jaar later kan hij over zijn stayerscarrière prachtige verhalen vertellen. Jean Mehagnoul, 88 jaar, kaarsrecht, ijzersterk, geestelijk scherp, én rechtlijnig. Een ras-amsterdammer, die liever Jan genoemd wordt, begin jaren vijftig een topamateur.
Won tientallen koersen op de weg. Maar verloor ooit Olympia’s Tour met twintig seconden. Werd professional en koerste niet veel later achter de zware motor. Als sterke en aanvallende wegrenner had Mehagnoul zich in de kijker gereden van gangmaker Bertus de Graaf.
De laatste was op zoek naar een attractieve lokale renner. Zo één waarvoor  Mokumers naar het Olympisch Stadion werden gelokt. ‘Als een dweil’ is zijn antwoord op de vraag hoe zijn stayersdebuut was.
Mehagnoul zwabberde over de baan. In het begin keek hij alleen maar naar de voor hem liggende rol. ‘Als je dood wil moet je daar mee door gaan’ was de lugubere boodschap van Van der Graaf. Volgens hem duurt het een lange tijd voor je het stayersvak onder de knie had.
Als beginnende stayer ben je aan de goden over geleverd. Beter gezegd: rijden met derderangse gangmakers. Voor Jan was dat gangmaker Van der Bom die er niet zó veel van begreep. Volgens Mehagnoul stond er in het Olympisch Stadion een zogenaamde dwarrelwind veroorzaakt door de onregelmatige gebouwde tribunes. Een goede gangmaker remt dan even bij. Van der Bom niet. Zijn renner moest daarom ieder ronde vier keer voluit spurten om de motor te volgen.
‘Geen zorgen’,  was het antwoord van Van der Bom op de vraag van Mehagnoul of hij zijn motor wel goed nagekeken had. Voor het nationale kampioenschap had Jan hard en lang getraind. En ja hoor, zijn donkerbruine vermoedens kwamen uit. In winnende positie breekt de aandrijfriem van Van der Boms motor. Niet alleen de riem brak maar ook de verbintenis tussen renner en gangmaker. De laatste kreeg van zijn renner  meteen zijn congé.
Jan Mehagnoul, man van eer,  recht voor zijn raap, die niet te koop was en aan combines niet meedeed. Eigenschappen niet geschikt voor een stayer, waar list en bedrog broer en zus zijn.  De vroegere stayer accentueert dat met een anekdote. Tijdens een wegkoers ergens in de Zaanstreek zat hij in een ontsnapping met  vier andere renners:  Zaankanters. Voor de  premies werd  de Mokumer telkens geflikt. Voor Mehagnoul hét sein om er één een ‘kink’ voor zijn kop te verkopen. Die vloog prompt met fiets en al, over het hekwerk. Een incident dat meteen door het stayerswereldje vloog.
Mehagnouls reputatie had zijn werk gedaan. De Grote Prijs van Amsterdam in een uitverkocht Olympisch Stadion waar Mehagnoul op de aanplakbiljetten stond. Voor aanvang stonden de gangmakers heimelijk op het middenterrein  te konkelen.
Voor Mehagnoul het sein om direct naar zijn gangmaker te stappen met de mededeling dat, als hij niet ‘rechtuit’ reed, hij onderweg de tribunes ingeslagen zal worden.

Jan Mehagnoul, maar drie jaar gestayerd, en een handvol overwinningen, stopte niet veel later. Nu, in zijn levensavond kan hij over zijn stayerscarrière  prachtige en smakelijke verhalen vertellen.  Trouwens de man voelt zich nog steeds met hart en ziel wielrenner. Meerdere keren per week stapt hij op zijn vijfendertig jaar oude RIH-koersfiets voor een trainingsrit. Old stayers never die.

De frietbakker van Parijs

Negentien jaar jong. Een vrouw en twee kinderen thuis. En ook nog eens professioneel stayer. Waarbij het begrip ‘profstatus’ niet ál te serieus genomen moet worden. Vette contracten waren een illusie. De jongen moest het doen met de kruimels van de Parijse wielerbanen. Jong, én een gezin, maakt gretig. Poen moet er binnen komen. Dat had Eugené Bruni goed begrepen. Voor hem de beste dope. In oktober 1903 raasde Bruni in Parijs de honderd kilometer af in één uur en drie minuten. En dat in een tijd dat maagpatiënten gezeten in een trein het zuur kregen bij tachtig kilometer.
Sneu voor Bruni dat de zomerwielerbanen dicht gingen. En de contracten voor de winterpistes al vergeven waren. The Kid moest toch als splinter de winter zien door te komen. En deed dat zoals altijd: met zijn mobiele frietkraam.
Friet bakken in de Parijse straten. Pet op, schort aan. De patatten in de hete olie. Met als clientèle dames met, onder de stijve korsetten, smakelijke rondingen. Frietbakker, een stiel met weinig rock ’n’ roll, maar wel veilig. De frietbakker liet zich verleiden door zijn kloten én de hormonen. Als profstayer lonkten de levensgevaarlijke, maar lucratieve Duitse wielerbanen. Die wel raad wisten met gretige desolate jongens. Waar Bruni, acht seizoenen actief was, totaal vijfentwintig grote koersen won en meer dan negenenzeventigduizend goudmark verdiende. Zijn grootste verdienste was dat hij als een godswonder levend en tamelijk ongeschonden uit de strijd kwam.
Eugené Bruni een verdienstelijk stayer, maar ook de man die als eerste renner koerste met een zelfgemaakte helm. Waar in het begin door collega’s nogal lacherig over deden. Ook George Leander. George, vers overgekomen uit Chicago, maakte zijn Europese debuut op de het Parijse Parc des Princes. Tegenstanders Walthour en lokale favoriet Bruni: de laatste gehelmd. Enfin, George kwam in een loden kist terug in zijn geliefde Chicago.
Bron: La Vie au Grande Air jaargang 1903. Jaargangen Radwelt: 1903 tot en met 1912. Foto 2: onder Eugené Bruni.