De snikkel van Josef

‘God zal me de brug over helpen’, mompelde een ontstelde Josef Käser. ‘En vandaag moet ik ook nog trainen met die halfgare Stellbrink’, kankerde hij verder. ‘Die jongen die altijd zonder valhelm achter mijn motor rijdt.’ Josef ‘Sepp’ Kaser, gangmaker van stiel, kreeg zojuist een wegtrekker van schrik. Alsof hij in het holst van de nacht, in een pikdonkere steeg een clown met ballonnen tegen het lijf liep. Sepp, man met het derde oog, liet zijn dag namelijk bepalen door de kleur van zijn ochtendpis. Was die helder, dan grijnsde het leven hem toe. Maar die ochtend verliet een donkere straal de snikkel van Käser, die fijne spetters maakte in de wc-pot.
Donkere pis, voor Käser dus mis. Een poëtische regel. Maar leg dat maar eens uit aan Sepp, die zich, vrijdag 22 september 1905, verontrust meldde op de Berlijnse Treptowwielerbaan om zijn trainingsafspraak met Stellbrink af te zeggen. De laatste, een eerste-jaarsprofessional stayer, net tweeëntwintig jaar, tjokvol hormonen, regelde direct gangmaker Germelmann. Een opmerkelijke oefensessie volgde.
Germelmann liet dat buitenkansje niet lopen en ging tijdens de training het duel aan met de ook trainende combinatie Stein met renner  Lehman. Waarbij, met negentig kilometer, Stein héél even Stellbrink aanraakte. De laatste,  gelanceerd uit de bocht, ging dwars door de houten balustrade heen, en werd, dagen later, in een lokaal ziekenhuis met een knallende koppijn wakker, want een gebroken schedel, twee armbreuken, én een rits gebroken ribben.
Je kunt alles over Stell zeggen, maar niet dat hij bang was. Een jaar later staat de Berlijner weer op de aanplakbiljetten, en won prompt tien grote koersen. Arthur Stellbrink, dertien jaar actief achter zware motoren. Won meer dan honderdachtentwintig koersen en schreef daarbij zo’n kwart miljoen goudmark op zijn bankrekening. En toch… toch was de man een stayer van nét niet. 1908 was zijn beste jaar, waarin hij dertig koersen won waaronder het prestigieuze Europees kampioenschap én de Grote Prijs van Duitsland. Maar voor een wereldtitel was hij een maatje te klein.
Arthur Stellbrink, die de bloederige Duitse wielerbanen overleefde, kreeg evengoed zijn portie. Daar zorgde de bemanning van dat onbekende Vliegende Fort voor. In 1943, tijdens bombardementen op Berlijn, werd Arthur Stellbrink zwaargewond. Invalide geraakt, stierf de voormalige stayer op kerstavond 1956 in de armen van zijn vrouw. Voor deze column goddank tóch een dramatisch einde.

Bron onder meer jaargangen Radwelt 1905 tot 1918.

Doof voor signalen

Ach gossie, de tragiek van een  oud circuspaard dat maar geen afscheid kon nemen. Verslaafd aan de spotlights. Kickend op bewondering én het applaus. Een adrenalinejunk in een tijd dat dat woord niet eens bestond. Smachtend aan dat fijne, immense diepe gevoel van opluchting, als de koers er heelhuids op zat. Gevoelens waar geen pil of spuit tegen op kon. Voor de roem hoefde hij het niet. Wereldkampioen in 1906 én 1907 bij de professionele stayers. Was meervoudig  Europees, én nationaal kampioen van Frankrijk. Verbrak wereldrecords. En had zo’n  beetje alle grote en prestigieuze stayerskoersen gewonnen. Held van de Franse Republiek, maar ook van duizenden fans. Op de tribunes kregen vrouwen spontaan natte directoires bij het horen van zijn naam.
De leeftijd schreed genadeloos door. Het lijf werd onwillig. De reflexen minder. De momenten waarin hij de rol achter de motor schroeide lag achter hem.  Ook de potentie nam af. De  tijd dat hij, met zijn knuppel, nachtenlang  de liefde bedreef, waarbij het stoom uit het matras kwam, was voorbij.
Signalen genoeg om te stoppen met het levensgevaarlijk koersen achter zware motoren. Of hij dat deed…? Tsja…
Ondanks ál die verontrustende signalen vertrok hij uit dit ondermaanse door een simpel, lullig, gebroken asje van zijn pedaal. Zo iets kun je niet verzinnen. Dat zijn hemelgang  uitgesproken voor eigen publiek gebeurde was voer voor  de lokale kranten,  waar in de kolommen het gebrek aan dramatiek nooit ver weg was.
Zijn begrafenis was ieder geval groots en meeslepend. En dat in zijn geboorteplaats later een stadion naar hem vernoemd, logisch.
28 April aanstaande, precies een eeuw geleden, tijdens een stayerskoers in het Parijse Velodrome d ‘ Hiver, verongelukte hij dodelijk.  Louis Darragon, werd 35 jaar oud.

14 April 1914

Ach wat maakt het uit. Het is een kleine moeite. Maar ook een traditie, om jaarlijks  op zijn sterfdag een bloemetje op zijn graf te leggen. Want het is toch zó, dat je  pas dood bent, als men je is vergeten? Wat dat betreft leeft de naam van Piet van Nek nog. Dat Van Nek’s graf, na een eeuw nog bestaat is een klein wonder. Terecht, want niet alleen door de monumentale status, maar ook door de dramatiek die daar aan beklijft.
Ga daar maar even aan staan. Piet van Nek, jong en ambitieus, en een voormalig elektricien bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij, kreeg in 1907 zijn roeping om achter zware motoren te koersen. Maakte een jaar later op de Duitse wielerbanen zijn opwachting als b-stayer. Reed op levensgevaarlijke achterafbaantjes zijn koersen. Brak twee jaar later in Duitsland definitief door. Won een aantal  grote prestigieuze koersen.
Eind 1913 werd Van Nek, door de machtige Duitse managers voor ‘vol’ aangezien, en werd beloond met een  rits topcontracten voor het seizoen 1914. De opvolgende winter bracht Van Nek door  op de winterbaan van Parijs. En kwam in het vroege voorjaar van 1914 afgetraind en in vorm terug in zijn Mokum. Op 7 april nam Van Nek, samen met zwager en gangmaker Albert Käser, op het Centraal Station de trein: bestemming Lepizig. Waar op een week later de Grote Voorjaarsprijs werd gehouden. Het werd zijn laatste koers.
Met een snelheid van tegen de negentig kilometer klapte Van Nek’s voorband. De Amsterdammer sloeg met zijn hoofd tegen het cement. Een fatale schedelbreuk. Dat Piet van Nek stierf op de verjaardag van zijn moeder had een componist van smartlappen kunnen bedenken. Enfin, kleine troost dat zijn uitvaart er mocht zijn. Vanaf zijn ouderlijk huis aan de Van Woustraat richting kerkhof stonden ruim tachtigduizend Amsterdammers, om afscheid te nemen. Piet van Nek, 28 jaar en begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Been’s zoete herinneringen

Acht seizoenen achter de zware motor gereden. Garantie voor genoeg verhalen: maar dan alléén de leuke. Nico Been, inmiddels 72 jaar, kijkt met veel plezier terug op zijn stayerscarrière.  De opmaat hiervoor was zijn debuut begin jaren zeventig. Waar hij, als redelijk goed amateur, in Sportpaleis Ahoy zijn debuut maakte achter de motor.
Als beginnend stayer heb je niet zoveel te vertellen. Nico Been kreeg dan ook gangmaker Gerrie Pelser toe bedeeld. De laatste, beschikkend over een motor met veel ‘abri’, kende twee makkes: tijdens de koers durfde hij niet achterom te kijken. En erger, hij was bang voor té  hoge snelheden.
Nico Been, was vaak de klos. Nu ziet hij daar de humor van in en levert dat hilarische anekdotes op. Hoe Been, door baanmanager Jan Derksen werd gevraagd,  voor de prestigieuze Grote Prijs van Amsterdam. Been kreeg gangmaker Pelser. En je voelt hem al aan komen. Tijdens de koers kon Been schreeuwen zo hard hij kon, dat het harder moest, het leverde bij zijn gangmaker alleen maar angstige momenten op. De man schudde steevast zijn hoofd van nee.  
Als stayer moet het je allemaal gegund worden. Moet je mazzel hebben. Nico Been, een degelijke stayer kreeg die niet altijd. Niet dat hij nu gefrustreerd is, wel nee.  Maar toch… Zoals die ene winter midden jaren zeventig. Been, trainend op de weg, had een contract voor  een stayerskoers op de winterbaan van Dortmund. Aan de start toppers als een Sercu en Dieter Kemper, renners die gerouleerd uit de Zesdaagsen kwamen. Daar kon je volgens hem niet tegen op. Evengoed bleef de schade beperkt tot twee ronden achterstand. Volgens het magazine Wielersport kwam Been in ‘het spel’ niet voor. Logisch als je alleen op de weg en in de bittere kou had getraind.
Nico Been, een subtopper, in 1975, achter de inmiddels hoogbejaarde gangmaker Bertus de Graaf, (zie foto) nationaal kampioen stayeren, en verbrak een jaar daarvoor het werelduurrecord achter de motor. Dat laatste, georganiseerd door Harry Mater. Martin Venix was de beoogde recordbreker maar die viel weg. Die kon niet.
Midden in de winter werd Been  door baanmanager Jan Derksen benaderd, om dat record aan te vallen. Twee dagen later, op de winterbaan van Wenen, amper getraind verbrak de Groninger deze met ruim twee kilometer.
De Weense baandirecteur Dusika gaf Been de mondelinge belofte dat hij alle stayerskoersen gehouden dat jaar, op zijn baan mocht rijden. Waarop manager Jan Derksen, achter zijn rug, een stok voor stak, want die vertelde later aan Dusika dat Been gestopt was. Een flagrante leugen. Ongetwijfeld had Derksen andere, zakelijke belangen. Evengoed had  Been genoeg contracten voor de Duitse wielerbanen. Naast het stayeren verdiende Been zijn geld als criteriumrenner.
Dat laatste moet niet té licht worden opgevat. Criteriums in de jaren zeventig waren vaak slopend. Anno nu, verwondert het Been, dat aan de start van dat soort koersen ook collega stayers die tot de top behoorde, maar nauwelijks zo’n koers uit konden rijden. Waarom deze stayers wel de grote koersen kregen daar heeft Been  nu zo zijn eigen gedachten over. Nico Been, pratend met een mooi Groningse tonval, maalt daar nu niet meer om. Dat was geweest. Alleen de mooie herinneringen beklijven aan hem.

Pelser’s motor

De op veilingsite Catawiki te koop staande gangmaakmotor (zie verhaal hier onder) leverde op Facebook een aardige discussie op. Stuyfssportverhalen schreef onder meer dat de motor afkomstig was van de vroegere gangmaker Noppie Koch. Dat laatste blijkt inmiddels niet helemaal juist. Wat enige uitleg verdient: tijdens de onthulling van het beeld van Noppie Koch, enkele jaren geleden bij stadion Galgewaard, Utrecht, stond deze motor als pronkstuk opgesteld.
Harry Mater, eigenaar van deze motor, vertelde de geschiedenis hiervan, waarbij de toehoorders er van uit gingen dat deze van Koch was. Inmiddels, via onder meer de vroegere stayer Nico Been, is het duidelijk dat deze motor van Gerrie Pelser was. Overigens: Harry Mater, vorig jaar overleden,  was in het bezit van meerdere gangmaakmotoren. Ook opvallend was, dat op basis van vage gesprekken met Mater, personen zijn die menen recht op de motor te hebben.
Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Woekerprijs voor stayershistorie

De geschiedenis van deze gangmaakmotor is bekend. Dat hij in 1928, de ateliers van motorbouwer Meyer  in Parijs verliet. Ook dat de ooit illustere Franse gangmaker Arthur Pasquier daar tientallen jaren op gereden had. Na Pasquier gedwongen afscheid van het stayeren, – de man, bijna tachtig jaar,  haalde tijdens het wereldkampioenschap gehouden in het Duitsland van 1960, zijn eigen renner in, – kwam de motor, midden jaren 60, in bezit van gangmaker Noppie Koch.  De motor symbool van álles, wat het ‘oude’ stayeren zijn charme en romantiek gaf. De geur van combine en bedrog hangt daar nog aan.  Een voorhistorisch monster, mét aandrijfriem én zonder uitlaat. Met een geluid alsof de deur van de hel op een kier stond. Een vuurspuwend monster zonder uitlaat. Hoeveel renners had  de Meyer niet van de motor ‘afgebrand’?
Toenmalige gangmakers, sluw en meedogenloos, kerels die je nooit een hand kon geven zonder je vingers even na te tellen. Mannen zonder scrupules. Tijdens het  passeren van een tegenstanders, hielden ze hun motor, mét hete uitlaatgassen vlak naast de gepasseerde renner. Die laatste had twee opties: doorrijden óf een verbrand been. Als aandenken hadden talloze renners de rest van hun leven de littekens van brandblaren op hun been. Enfin, dat was en is geschiedenis.
 Noppie Koch, gesponsord door het schildersbedrijf van Harry Mater, voerde onder meer Piet de Wit en Martin Venix naar de wereldtitel. Na het beëindigen van Koch’s carrière  kwam de motor in bezit van Harry Mater: een aimabel mens én gepassioneerd  liefhebber en verzamelaar van stayersparafernalia.
Vorig jaar januari 2017 overleed Harry Mater. Zijn weduwe  verkocht de motor voor duizend euro aan een zogenaamde liefhebber en verzamelaar. Die zag daar wel een winstobject in.
Enfin, deze week verscheen, op  veilingsite Catawiki,  de Mayer. Geschatte opbrengst tussen de 20- én vijfentwintig duizend euro: incluis het gangmaakpak én helm van Koch.

Foto: Harry Mater en Henny Marinus bij de genoemde Meyer-gangmaakmotor. In 1964 voerde Noppie Koch, met deze motor, Marinus naar de Nederlandse titel bij de beroepsrenners. 

Een Fransman in Berlijn

‘Strooibiljetten’, riep de reclamemaker van dienst. Die dan ook werden afgedrukt als ansichtkaart. Van slechte kwaliteit, op inferieur karton, met grofkorrelige, gerasterde foto’s. Maar wat maakte dat eigenlijk uit? Het doel heiligt de middelen. Met tienduizenden werden ze in de drukke straten van Berlijn, bij de uitgangen van theaters en kroegen, uitgedeeld. Doel: het volk naar de wielerbaan van Friedenau te lokken. Waar zondag 1 mei 1904, om vier uur Das Goldene Rad von Friedenau werd verreden, een stayerskoers over honderd kilometer. Baanmanager Alfred Knorr, what’s in the name want de man had een verdacht dikke harses, beheerste het spel als een goochelaar zijn hoge hoed.
Je contracteert vijf van de allerbeste stayers van dat moment, En je stort ook nog eens totaal vijfduizend goudmark als prijzengeld in de pot. En bestookt vervolgens een gemiddelde Berlijner met zo’n kaart. Knorr’s reclamecampagne werkte.
Hijgend en happend, in een verstikkende rookwolk veroorzaakt door de vijf motoren, waren vijfendertigduizend liefhebbers getuige dat Münchenaar Robl achter d’n petroleumtandem, de honderd kilometer wint in een tijd van 1 uur 25. Gevolgd door Piet Dickentman, Bruno Salzmann, Fritz Ryser en Bobby Walthour.
Ach gut, die jongens! Ooit de allerbeste renners van dat moment met de status van een bekende Europeaan.
Nu anonieme schaduwen uit een ver sportverleden. Hun namen én botten zijn tot stof vergaan. Een enkeling heeft de mazzel dat hij nog mag rusten in zijn graf zoals Thaddy Robl.
En van die andere jongens zijn hun stoffelijke resten geruimd en achteloos in de knekelput gesodemieterd.

Maar dat éne ansichtkaartje, mét hun konterfeitsels is er nog steeds. Een wonder. Want heeft een eeuw van twee wereldoorlogen meegemaakt. Het kaartje werd op 10 juni 1904 door ene Paul, een Fransman, bevindend in Berlijn, volgeklad en op de post gedaan. Je fantasie slaat daarbij meteen op hol. Wat deed de man in Berlijn? Was de schrijver een stayersliefhebber? Zat hij ook op de houten tribunes van Friedenau? Of liet hij zich in de lokale kroegen vollopen? Van die vragen waar toch geen antwoord op zijn. Enfin, wat maakt het ook uit. Dankzij Paul kon deze verhalenschrijver zijn pen weer eens slijpen.

Bron: Radwelt jaargang 1904.