Het lot

Magere Hein, mét zeis als gangmaker. Met achter zijn motor een jochie op een stayersfietsje,  begeleidt door de Doodsengel. Horror op een ansichtkaart.  Altijd leuk  om zo’n kaartje in je brievenbus te vinden.  Op 15 september 1905 verongelukte, tijdens het Europees kampioenschap Willy Schmitter dodelijk. Amper was de kist met zijn lijk in het graf gedaald, of de drukpersen van uitgeverij Martin, in Leipzig, draaide op volle toeren.
Met Willy’s hemelgang viel geld te verdienen.  Op de ansichtkaart, duidelijk ontworpen door iemand met een feilloos gevoel voor het macabere, ook de tekst Mit des Geschickes Machten. Zo iets als, dat je nooit het lot moet tarten. Schmitter  deed dat wel. En werd het twintigste slachtoffer – sinds 1900 de gangmaakmotor zijn opwachting maakte op de wielerbanen – van de stayerssport. Willy Schmitter een gewezen leerling apotheker, afkomstig uit Keulen. Won in drie seizoenen dertig grote stayerskoersen wat goed was voor bijna zesendertigduizend goudmark.
De apothekersleerling, dé favoriet tijdens het  Europees kampioenschap, gehouden in Leipzig. Tegenstanders, Robl, en de Franse stayers Guignard, Darragon en Contenet.  Willy kwam ten val en werd overreden door de achterop komende motor van Contenet. In het  jaarboek van Radwelt 1905, wordt pijnlijk nauwkeurig beschreven dat  hij, de zelfde nacht om twee uur stierf, aan de gevolgen van een gebroken bekkenfractuur, in combinatie met een schedelfractuur.
Willy’s begrafenis, was groots,  en dramatisch. Met toespraken dat hij nóóit vergeten gaat worden.  In de jaren zestig werd zijn graf geruimd… Helemaal vergeten is hij niet, want de grootste wielerclub van Keulen is naar de jonge Schmitter vernoemd.
Willy Schmitter, werd eenentwintig jaar.

Bron: Radwelt jaargangen 1903, 1904 en 1905.

Netvlies

De Europese wielerbanen anno 1901, waar een lullig, ééncilinder gangmaakmotortje  zijn opwachting maakte. Een motor die amper de zestig kilometer aan tikte. Of dat evengoed een veilige snelheid  was? Nee! Dat  de gangmaker, vér achter zijn achterwiel zat,  was al bloedlink.  Spontane zenuwtrekjes had de renner moeten krijgen bij het feit dat vóór op het stuur, een blok ijzer was geplaatst om de motor in evenwicht te houden.
Ondanks de gevarenzone zag  César Simar wel mogelijkheden.  Om meer in de zuiging van de motor te zitten liet de man, afkomstig uit Lille,  een fietsje bouwen waarbij zijn héle lijf boven het voorwieltje zat. Het was stayeren in de twilightzone, waar ‘gene zijde’ nooit ver weg was, want  geremd werd  door met het hoofd tegen de rug van de gangmaker aan te rijden. Hoe dat ging tijdens een koers met meerdere renners, én op een kleine wielerbaan,  moeten we maar niet aan denken.
César Simar, met een verdienstelijke uitslagenlijst, bij elkaar gereden op obscure wielerbanen in Buenos-Aires, New York, én de Parijse banen, werd goed genoeg gevonden voor een serie contracten op de Duitse wielerbanen, de Premier League van het toenmalige stayeren. Vanaf 1905 tot 1910 werkte Simar in Duitsland een serie contracten af. Simar, winnaar van onder meer de Grote Prijs van Dresden en de  Grote Prijs vom Rhein,  gehouden in Keulen. In  vijf seizoenen werd  dertien grote koersen gewonnen, waarbij hij ruim negenendertigduizend goudmark op zijn bankrekening mocht bij schrijven. Maar de grote doorbraak bleef voor César uit. De man leed aan een slepende astma waar hij uiteindelijk op vijfenvijftig jarige leeftijd aan overleed.
César Simar, op de foto achter  gangmaker Bertin, een man met een duistere, gekwelde blik, die ondanks dát,  voor het grote avontuur ging. Na een jaar met Simar,  verruilde Bertin zijn één cilindermotortje  om voor een zogenaamde motortandem, een monster op twee wielen. Bertin stelde zijn kunsten in dienst van stayer Paul Dangla. De laatste beelden  op Paul’s netvlies op dit ondermaanse,  was de rug van Bertin. Een paar seconden later  verongelukte hij dodelijk, wat gebeurde tijdens de Golden Rad van Magdeburg in 1903. 
Een jaar later raasde de Franse stayer Charles Brécy achter Bertin, toen de voorvork diens motor brak. Charles Brécy werd 31 jaar. Met Jean Bertin liep het trouwens  ook niet prettig af. In 1912 knutselde de Parijzenaar een vliegtuigje in elkaar. Of Bertin, op het moment van neerstorten dacht aan Dangla en Brécy is niet zéker. Wél dat Bertin 35 jaar werd.

Foto: Bertin verruilde zijn één cilindermotor om voor de loodzware motortandem. Links stuurman Sigonand, daarnaast stayer Paul Guignard, die niet veel later de honderd kilometer afraasde in een uur: een  werelduurrecord. Helemaal rechts Bertin. Tussen hen in Bertin senior.

Bron: Radwelt jaargangen 1905 tot 1910, La Vie au Grande Air jaargang 1903.

Vier plakkertjes

Pioniers waren het. Jongens, zonder énig benul van gevaar of veiligheid.  Voor dat ze dát besefte, waren al tientallen van hen dodelijk verongelukt. Dat stayers tijdens de Belle Epoque regelmatig langs een vers gedolven graf scheerden, laat  bijgevoegde foto van George Leander, onbedoeld  zien.
George Leander, stayer afkomstig uit Chicago, maakte  op 21 augustus 1904 in het Parc des Princes, Parijs,  zijn Europese debuut achter de zware motor. Voor het Franse sportblad La Vie au Grande Air, aanleiding voor een pagina groot achtergrondverhaal over George, compleet met de toenmalige gebruikelijke, statische foto’s. Waarvan  er één duidelijk  opvalt. Die van  George, in profiel op zijn stayersfietsje.
Eerst even vertellen dat  de stayers op de Europese, maar vooral de Duitse wielerbanen tóen al, de negentig kilometer per uur aantikte. George wist dat. Oók  dat vanaf 1900, tot George’s  Europese debuut, inmiddels  dertien renners en gangmakers dodelijk waren verongelukt: het aantal zwaar gewonden was een veelvoud.  Met als sinister detail, dat in dat zelfde jaar 1904, al  negen stayers en gangmakers ter hemel waren getrokken. Gelukkig voor hem besefte  de jonge Jank uit Chicago niet, dat hij de tiende ging worden…
Terug naar die foto. Dat George zonder helm koerste was toen normaal. Dat in die zelfde koers waar George van start ging, de Parijzenaar Eugene Bruni, als eerst renner óóit, met een zelf gemaakt valhelm reed, was ter kennisgeving. De belangrijkste oorzaak van de vele zware ongevallen waren de lekke banden. Een lekke band met die hoge snelheden, dan sloeg deze van de velg, én vervolgens tussen de spaken.  Exit renner.

De foto bestuderend, had George daar al een klein vermoeden van. Georgie had zijn  voorzorgmaatregel genomen. Aandoenlijk te zien dat hij z’n voorband, met vier plakkertjes aan de velg had geplakt. Dat hij zijn achterband oversloeg zijn van die raadsels waar je nooit meer achter komt.
Even ter vergelijking met anno nu: als veiligheidsmaatregel zijn stayersbanden met linnen stroken compleet vastgeplakt aan de velg. Enfin, al hád George Leander dat wél gedaan dan lag even goed zijn lot vast.
Op die 21e augustus, tijdens die bewuste stayerskoers, achter gangmaker Cissac, raakte George Leander, in winnende positie, los van de rol. George  spurtte dat gaatje dicht, en klapte vol op de motor. George Leander, 22 jaar overleed twee dagen later aan de gevolgen van zware hersenletsel.

Zuinig naar goud

Van al zijn  collega’s kreeg hij felicitaties. Ook van de jongens, vers uit de ronde van Frankrijk gekomen. Tijdens de ronde van Boxmeer, het eerste criterium na de Tour, had Reinier Honig niet te klagen over gebrek aan belangstelling. Twee dagen eerder greep Honig de Europese stayerstitel. Dat zijn wielercollega’s, actief als wegrenner, daarvan op de hoogte waren vond hij verrassend. Waarmee  de sociale media zich weer eens had bewezen. Terwijl de Tour zijn laatste week inging was Honig samen met gangmaker Jos Pronk in het Noord-Italiaanse Pordenone, neer gestreken.
Waar de lokale hobbelige wielerbaan lag te sidderen in een hittegolf. Dat het rijvlak van de baan hobbelig was, was voor Honig, met diens ‘inhoud’, opgedaan in jarenlang wegkoersen,  een voordeel. Tijdens de series hield Honig zich rustig. Gangmaker Pronk loodste zijn renner, zuinig rijdend richting finale. Zo zuinig, dat Honig door de winnaar van zo’n serie op een ronde werd gereden. Voor de finale, gehouden in de avonduren kon Honig zijn borst nat maken. De hitte was slopend. En laat nou dezelfde avond de hemel voor het eerst in weken opgaan. Door de aanhoudende regen werd finale uitgesteld tot zaterdagmorgen. Ook de dag dat Honigs terugvlucht naar Amsterdam stond geboekt. Dat laatste werd snel omgezet.  
In die finale, met acht renners, in een koers over een uur, startte de Noord-Hollander als vijfde. De uittredende Europees kampioen, de Duitser Franz Schiewer als derde, die direct opstoomde naar de kop.
Het zekere voor het onzekere te nemen opende Honig al vroeg de aanval. Volgens hem was het te link om daar mee te wachten tot het laatste kwartier. De aanval verraste Schiewer.Als er in zo’n stayerskoers drie renners van dezelfde nationaliteit rijden, kun je wachten op een combine. Ook tijdens Honigs finale waarin hij moest afrekenen met twee andere Duitse renners. Franz Schiewer, niet bij machten Honig te bedreigen wendde een lekke band voor. Hopend op een wissel, waarbij hij hoogstwaarschijnlijk verder ging op een fiets met een voor hem betere versnelling. Waar de jury niet in trapte. Een diskwalificatie volgde. Wat overbleef werd stayersgeschiedenis. Na drie keer tweede op een Europees kampioenschap te zijn geworden greep Honig, inmiddels 36 jaar, eindelijk zijn wel verdiende titel, plus de kampioenstrui.

Uitslag: 1 Reinier Honig, 2, Daniel Harnisch (Duitsland), gevolgd door landgenoot Christof Schweizer. (foto: Europese Wieler Unie)

Missionarissen

Het wereldkampioenschap stayeren 1902. Zes renners aan de start. Schokkend nieuws? In de uitslagenlijsten van Radwelt jaargang 1902 komt deze koers niet eens voor. Wél aandacht voor het Europese kampioenschap en de belangrijkste stayerskoersen gehouden in Duitsland. Dat dit  wereldkampioenschap een belangrijke koers was, is  dan ook hoogst onwaarschijnlijk. Voor het massaal opgekomen Berlijnse publiek maakte dat niet veel uit. Stayeren in het Berlijn van voor de Eerste Wereldoorlog, een fijn verzetje voor het publiek.
Zondagmiddag 22 juni, een dag na de zonnewende. Tijdens de oudheid wisten Germanen daar wel raad mee. Dagenlange feesten,zuipen, gokken én ´meer´, en dat onder toeziend oog van Wodan. Van die vreselijke, moralistische missionarissen die al dat leuks later gingen verbieden, had nooit iemand van gehoord. Maar de mens is genetisch bepaald. Ook de Mof anno 1902,  op de tribunes  met een  pot schuimend bier, hopend dat de stayerskoers genoeg sensatie opleverde. Er werd hard en ‘rechtuit’ gereden, met mooie duels. Robl werd wereldkampioen, met Dickentman en Taylor achter zich. En voor de rest géén bloed op de wielerbaan.
Ach, vielen de stayers niet dood op de wielerbaan dan wist Hein ze op een ander manier wel te grazen nemen. Eduard Taylor 23 jaar, getroffen door een ziekte, stierf een jaar later in de armen van zijn oma. Tom Linton verging het niet veel beter. Tom werd in 1915 getroffen door tyfus en overleefde dat niet. Aardig te vermelden dat Toms gangmaker, Auguste Fossier, een paar maanden na Tom, óók stierf aan dezelfde ziekte. Ook Fritz Ryser zag zijn kleinkinderen nooit opgroeien. Fritz, in 1916 getroffen door een fatale hartaanval.
Dickentman en Emile Bouhours ontliepen de Zeis. Piet tikte ruim de zeven kruisjes aan. Uiteindelijk was Bouhours de spekkoper. De man stierf in 1953, op drieëntachtigjarige leeftijd

Verslapen

De man was hoogstwaarschijnlijk  de eerste  adrenalinejunk uit de geschiedenis. Thaddy  Robl, mooie jongen afkomstig uit München. Ontdekte begin 1900 zijn latente verslaving aan snelheid. Robl, tot dan een baanrenner werd stayer achter motoren. Binnen een aantal jaar ontwikkelde hij zich tot de ’s werelds sterkste stayer ooit: zie elders deze blog. Robl, naast het stayeren ook bezeten van auto’s. Achter het stuur kende de  Munchenaar ook geen grenzen en was betrokken bij diverse zware ongelukken. Dat de man jong ging sterven was zeker. De vraag was alleen, waar en hoe?
Ieder geval niet als stayer. Robl, meer dan honderd koersen gewonnen, waaronder  twee keer wereldkampioen, werd met z’n sport miljonair. Ondanks dat laatste  stopte Thaddy met het bloedlinke stayeren. Dat zijn moeder opgelucht ademde is niet waar. Robl ontdekte Robl de pas opkomende luchtvaart.
In 1910 schafte de inmiddels ex-stayer een vliegtuigje aan. Een lullig tweedekkertje gemaakt van houten latjes, linnen en bijeengehouden door pianosnaren.  Jammer voor hem, én  vele andere toenmalige piloten, bestond er in de Belle Epoque geen veiligheidsraad voor Luchtvaart. Anders was de man nooit opgestegen.
Op 18 juni 1910 de datum voor zijn eerste vlucht. Makker en collega-stayer Piet Dickentman werd hier voor uitgenodigd om Berlijn ook eens vanuit de lucht te bekijken. Piet verslaapt zich. Vanaf het vliegveld van Stettin stijgt Robl alleen op. Honderd meter hoog stopt de  motor van het tweedekkertje.
Behalve een Koninklijke begrafenis op het Alter Süderlicher Friedhof in Munchen,  krijgt Thaddy Robl ook zijn herinnering ansichtkaart. Uitgever Frantz Martin, domicilie houdend in Leipzig, (zie Todessturz, elders op deze blog),  was er als de kippen bij om deze  ansichtkaart van de overleden Robl, in grote oplages  uit te brengen, compleet met een zwevende doodsengel.

Todessturze

Het scenario was van een ongekende, dramatische  schoonheid.  Fritz Theile, stayer achter zware motoren. Man vele loopgravengevechten. Beleefde als stayer, zijn vuurdoop in 1908. Won dat jaar vijftien zware koersen. Een jaar later raasde Theile, een gewezen leerling opticien, afkomstig uit Berlijn, naar twintig overwinningen. Op zondag 4 juni 1911, stonden totaal zesenvijftig gewonnen koersen op zijn palmares, goed was voor 133.000 goudmark. Genoeg geneuzeld over overwinningen en dat verdomde geld.  Waar het wél om gaat was de moeder van Fritz Theile, die haar  zoon nooit in actie zag. Maar liet  zich door Fritz overhalen om toch een keertje te komen kijken. Moeder  Theile op de tribunes van het Zehlendorfbaan in Berlijn, waar haar zoon op die dramatische  4 juni 1911, op het programma stond voor de Grote Pinkerprijs van Berlijn.
Waar Fritz 27 jaar, in de dertigste ronde, voor haar ogen  een klapband kreeg. Om even later, de  achteropkomende motor van gangmaker Reckzeh in zijn nek te krijgen. Enfin, vier dagen later kreeg Fritz  zijn heldenbegrafenis op het Friedhof zu Wilmersdorf in zijn eigen Berlijn.
Stuyfssportverhalen, eerder  over de sturz van Fritz Theile  gepubliceerd, is er inmiddels achter dat aan Theiles dood flink verdiend werd. Met enige regelmaat duiken op veilingsites ansichtkaarten op, van het drama dat zich op die Zehlendorfbaan had afgespeeld.
Uitgever Frantz Martin, domicilie houdend in de toenmalige Querstrasse 1, Leipzig, moet vóór de Eerste Wereldoorlog, een man zonder scrupules zijn geweest. Als er weer een stayer ter hemel trok, stonden zijn drukpersen roodgloeiend. Kaarten voorzien van  sentimentele afbeeldingen van de verongelukte stakker in kwestie. De dood van Fritz Theile, werd door Frantz Martin, met drie verschillende ansichtkaarten herdacht. En voor de sukkel die het nog niet begreep, diende het bijbehorende onderschriftje maar even te lezen.
Fritz Theile, weg gevaagd uit de collectieve herinnering. Zijn graf werd ergens in de jaren zestig geruimd. Evengoed ben je pas dood als je naam vergeten is. Vandaag 4 juni, Fritz´ sterfdag, vandaar  dit stukje.

Tempel van de Heilige Geest

Zestig jaar geleden. Maar daarom niet vergeten. In 1959 werd in een kolkend Olympisch Stadion, Arie van Houwelingen wereldkampioen bij de amateur-stayers. Een titel weg gehaald  voor de poorten van de hel. Twintig ronden voor het eind. Van Houwelingen op kop, met dé favoriet, Bernard De Coninck, op twee ronden. Krijgt Van Houwelingens gangmaker Frits Wiersma, motorpech. Er gaat een  siddering door de vijfenvijftigduizend toeschouwers. Met de moed der wanhoop reed van Houwelingen, een ronde lang, zonder motor door. Reservegangmaker Beets redde uiteindelijk de inboedel. Tot het moment waarop  Wiersma twaalf ronden voor het eind, op een gerepareerde motor, de regie weer overnam. Arie van Houwelingen wereldkampioen bij de amateurstayers, en werd als extraatje dat jaar uitgeroepen tot Sportman van het Jaar. Twee jaar later stopte de inwoner van Sassenheim met de sport. Er was geen cent te verdienen.
Van Houwelingen denkt nog vaak aan zijn ene wereldtitel. Al was het alleen maar dat zijn regenboogtrui ingelijst hangt in de huiskamer.  Arie, lichamelijk én geestelijk scherp, staat  nog midden in het leven, en volgt het landelijke- én het wereldnieuws nauwgezet. Wat dát betreft heeft Van Houwelingen een uitgesproken mening. Volgens hem zijn alle politici van de pot gerukt, waar geen woord aan gelogen is.
Arie van Houwelingen, vlotte prater, was tijdens zijn arbeidzame leven postbode in zijn woonplaats Sassenheim. Een gemeente die nogal vreemd met zijn sporthelden omgaat. Jaarlijks worden de Sassenheimse sportploegen en andere sporthelden door het gemeentebestuur feestelijk  in het zonnetje gezet. Van Houwelingen, notabene een gewezen wereldkampioen, is daar nooit voor uitgenodigd. Ach, Van Houwelingen maakt zich daarover niet zo druk. Hij heeft andere bezigheden. Zit dagelijks op Facebook, leest alles wat  wielrennen betreft, en vult de rest van zijn tijd in met puzzels oplossen.
Laat Arie praten en het gesprek komt vanzelf over zijn wielercarrière. Jarenlang had hij als stayer getraind op de baan van het Stadion, waar ook Amsterdammer Joop Middeling aanwezig was. Middeling, dé grote man bij de Radium bandenfabriek en ploegleider van het gelijknamige wielerteam. Nooit, maar dan ook nooit werd Van Houwelingen door de almachtige Middeling  benadert om daar deel van uit te maken.
Terwijl Van Houwelingen als amateur-stayer aan de top stond, en als wegrenner een van de zwaarste klassiekers op de weg won. Had volgens de voormalige wereldkampioen te maken met de arrogante houding van Amsterdammers tegen renners uit de provincie. Die werden weg gezet als boertjes.
Dan wordt het  gesprek opeens spannend want de naam ‘Post’ valt.
Post, ooit een poging gedaan om als stayer te slagen, wat jammerlijk mislukte. De man kon er geen hout van. Iets wat volgens de mores van Post werd opgelost met geld. Tijdens de Grote Prijs van Amsterdam bood Post tweehonderd gulden aan Van Houwelingen, om hem tijdens de race niet aan te vallen. Bij het uitbetalen kreeg Van Houwelingen honderdzestig gulden. De resterende veertig gulden ging naar de manager van Post, iets waar Van Houwelingen nu nóg verbaast over is.
Arie van Houwelingen, kind van de Bijbelgordel, vertelde met verpletterende eenvoud waarom hij als renner nooit ‘gebruikte’. Volgens hem is het lichaam de tempel van de Heilige Geest. Om er vilein aan toe te voegen, dat de meeste van zijn toenmalige concurrenten al een tijdje bij ‘Petrus liggen’. De laatste moet nog even op Van Houwelingen wachten, want de man vindt het leven nog veel te leuk.

Blok ijzer

De honden roken bloed. Alle hens aan dek. De Europese eer was bezoedeld. Ene Stinson, een Amerikaanse stayer in de marge, verbrak het werelduurrecord en bracht dat tot ruim tweeënzestig kilometer. Wat in 1902 openingsnieuws was op de Europese, maar vooral de Duitse  voorpagina’s.  Of die Stinson  echt zo goed was? Gezien zijn overige uitslagen niet. Maar wat de man atletische te kort kwam, maakte zijn gangmaakmotor goed. Deze laatste was  sneller en had meer vermogen dan de Europese versies.  Met dank aan de constructeurs van de  Indian Motorcycle Compagnie.
De Indian Motorcycle Compagnie,  in 1901 begonnen met de constructie van hun illustere motoren, bouwde een jaar later een motor waar Amerikaanse stayers, maar vooral die Stinson wel raad mee wisten. Nadat Stinson het werelduurrecord achter motoren had verbroken, brak op  de Europese, maar vooral de Duitse wielerbanen de pleuris uit. De eer was gekrenkt.  Duitse stayers hadden het rare idee dat ze, in de hiërarchie, vlak onder hun Keizer,  maar wél boven  god en alleman, stonden. En als je niet de beschikking hebt over een gelijkwaardige motor dan moet  de trukendoos wagenwijd open. Dat laatste kon je wel aan de ‘heren’ gangmakers overlaten.
Die plaatste het zadel van hun gangmaakmotor een stuk naar achteren:  vér  achter het achterwiel. Of dat reglementair verboden was? In die altijd leuke belle epoque, waren reglementen bedoeld om je kont mee af te vegen. Stayers, zaten opeens een stuk meer in de zuiging van motor en gangmaker. Waarmee de helse kermis werd geopend. De snelheden gingen omhoog. Maar ook de valpartijen. Vér achter de motor te zitten heeft wel een nadeeltje.  Bij hoge snelheden kwam het voorwiel los van de baan en begon te zweven. Gangmaker Otto en zijn renner Peter Günther loste dat probleem inventief op. Otto hing onder zijn stuur, ter hoogte van zijn voorwiel een blok ijzer, ter grote van een flinke stoeptegel. Of dat blok ijzer de oorzaak was is niet bekend. Wél dat gangmaker Otto en Günther in 1903 betrokken waren bij een zwaar ongeval op de Keulse wielerbaan. Günther was maanden uitgeschakeld. En gangmaker Otto kreeg opeens zo zijn bedenkingen tegen zijn bloedlinke hobby. Na dat ongeluk kwam Otto niet meer voor in de uitslagenlijsten van de jaargangen Radwelt. En Peter Günther…? Enfin de man kreeg in 1918 op het Südfriedhof in Keulen een mooi praalgraf.

Belofte ingelost

‘Ach het gaat wel. Ik mag niet klagen, want ben er nog steeds’. Dát was het vaste antwoord als je aan Henny Marinus vroeg, hoe het gesteld was met hem. Inderdaad klagen deed Marinus nóóit. Hoewel de hersentumor, al meer dan tien jaar in zijn hoofd, voortwoekerde en hij wél pijn moest hebben. Waarschijnlijk dáárom, voelde hij zijn einde naderen. Vooral op sombere wintermiddagen liet hij dat wel eens terloops merken. Henny aan de grote tafel, omgeven door zijn herinneringen, want stapels foto’s, van zijn overleden vrouw Annie, dochter Monique maar vooral foto’s van zijn illustere wielercarrière. Aan de thee kwamen dan de verhalen los, vertelt in prachtig, Jordanese tongval. Ik hing aan zijn lippen.
Op zo’n dag, alweer drie jaar geleden nam Henny mij mee naar zijn fietsbox onder zijn woning. Bij binnenkomst viel de mond open. Het was duidelijk dat déze plek, voor Marinus van grote betekenis was. Voor de Kleine Kampioen uit de Jordaan was het een sacrale plek. De muren en plafonds, hélemaal bedekt met de gekleurde, met tekst bedrukte overwinningslinten, door hem gewonnen bij de talloze baan- en wegkoersen. En op een tafeltje lag zijn grootste, door hem gekoesterde relikwie, want zijn inmiddels iconische stayershelm, voorzien van witte band.
Henny Marinus maakte zich zorgen wat dáár, allemaal mee zou gebeuren als hij definitief de ogen sloot. Of ik daar niet voor wilde zorgen. Of zijn schat asjeblieft in goede handen terecht kwam. Ik beloofde dat plechtig. Met zichtbare emotionele pijn nam de voormalige stayerskampioen afscheid van zijn innig geliefde memorabilia. Waarmee voor hem een groots hoofdstuk uit zijn leven werd afgesloten.
Gisteren, acht maanden na zijn overlijden, werd de belofte ingelost. Annemarie de Wildt, conservator van het prachtige Amsterdam Museum, gevestigd in de Kalverstraat nam blij Henny’s helm én linten in ontvangst. Waarbij, door mij ook de toezegging werd gedaan dat Marinus´ stayersfiets ter zijner tijd ook richting Amsterdam Museum gaat.
Annemarie de Wildt, helemaal bijgepraat over Henny Marinus, verzekerde dat deze niet anoniem in het depot verdwijnen. Het museum heeft plannen om een grote expositie aan de vroegere Jordaan te wijden waarbij alle aspecten van deze, ooit volksbuurt worden behandeld. Ook de sportieve, zoals die van Henny Marinus.

Het kán niet anders, dat die ‘ouwe’, zoals ik hem altijd noemde, vanuit de Grote Stayershemel goedkeurend zat te knikken.

En dan het volgende
Mochten er lezers zijn in het bezit van historische sport-, of  wielererfgoed, schenk dat nóóit, maar dan ook nóóit aan een zogenaamd wielermuseum. Die laatste zijn namelijk privéverzamelingen, waar zo’n eigenaar over kan wikken en beschikken. Dat dit soort ‘musea’ commercieel gezien, ten dode zijn opgeschreven, want gaan per definitie failliet, is een sinistere bijkomstigheid. Een treurig voorbeeld is het zogenaamde wielermuseum van Zaankanter Gerrie Hulsing, genaamd ‘Stichting Nationaal Wielermuseum´. Een betrouwbare naam die de lading totáál niet dekt. Er is namelijk géén museum. En dat zal er ook nooit komen. Ondanks dát, weet Hulsing, jarenlang de illusie op te houden dat zijn museum een bestaand fenomeen is. Enfin, Marco Knippen, onderzoeksjournalist van het Noord-Hollands Dagblad maakte van deze hersenspinsel, met een verhaal over twee pagina’s, gehakt van. Ook auteur Jan Zomer, in samenwerking met Hans Middelveld, lieten, op facebook, hun lichten over Hulsings museum schijnen, waarbij het verbaal ruig aan toe ging. Kortom, schenk eventuele wielererfgoed aan een bestaand museum. En als dat niet lukt, verkoop het dan. En doe van de eventuele opbrengst leuke dingen mee. 

error: Content is protected !!