Adolf nam ook zijn pistool mee

demkethormanvliegDe man had lef, zoveel is zeker. Of was anders een tikkeltje knots. Misschien wel beide.  Adolf Thormann, adrenalinejunk vér voor het begrip bekend was, had een merkwaardig  leven. Voor de man was geen dag hetzelfde. Als hij heelhuids de avond haalde moet hem zelf het meest verbaasd hebben. Adolf was namelijk stuurman, op de levensgevaarlijke motortandem. Adolf Thormann, een naam waarbij visioenen van pickelhelmen, en laarzen met spijkers opdoemen,  kon alleen maar sturen. Niet remmen. Dat moest hij over laten aan Ernst Wolf, achter op de motor.
Adolf en Ernst, twee ijzeren Heinen uit Berlijn, de gangmakers van Piet Dickentman. Het kán gewoon niet anders dan dat Adolf, tijdens zo’n race regelmatig kreetjes van pure doodsangst uitstootte. Voor  hem was het altijd maar de vraag of Wolf, met negentig op de teller, wel op tijd remde. Adolf, voorop, zag met griezelige regelmaat links en rechts renners en gangmakers zich de pletter rijden. Adolf nam het leven dan ook maar niet zó nauw: voor de Berlijner smaakte dat naar meer.  Drie jaar nadat de broertjes Wright in Amerika als eerste het luchtruim hadden gekozen, knutselden Thormann met kameraad Bruno Demke hun eigen vliegtuigje, gemaakt van bamboestokken, een motorblok gemonteerd op het onderstel van een kinderwagen. Copy of pietdubbelmooi
Na een vlucht van enkele kilometers stortte het toestel neer. Bruno, tevens topstayer en Adolf overleefde de crash. Tien jaar later, 24 augustus 1916,  moet Bruno, in een split second ongetwijfeld aan zijn makker Adolf gedacht hebben. Bruno Demke, oorlogspiloot bij der Kaiserliche Luftstreitkräfte, gezeten in zijn rode Fokker dubbeldekker, was bezig neer te storten, en nam even later zijn plekje in de Grote Pilotenhemel in. Adolf Thormann had toen al een mooie carrière achter de rug.
Als der Adolf op de man was gevraagd wat zijn mooiste overwinning was, dacht hij ongetwijfeld aan 1903, het wereldkampioenschap gehouden in Kopenhagen waar hij Piet Dickentman naar zijn enige wereldtitel voerde. Adolf had in Denemarken niet alleen zijn Brennabormotor meegenomen maar ook zijn Lügerpistool: altijd handig. Terwijl Taddy Robl, de grote concurrent van Dickentman, de avond voor de race al zijn vrienden op champagne trakteerde voor zijn komende titel, sliep Adolf, met getrokken pistool bij de gangmaakmotor: bang dat de concurrentie die zou saboteren.
Copy of adolfpietDe titelrace behoort inmiddels tot de vaderlandse wielerklassieken. Piet Dickentman reed Robl op negen ronden en nummer drie Alfred Görnemann op vijftien ronden. Net als zoveel van zijn wielerkameraden mocht en moest Adolf Thormann in de Grote Oorlog een uniform aantrekken. Na de oorlog was Thormann nog actief en vierden in 1923 zijn zilveren jubileum als gangmaker om dan langzaam op te lossen in de geschiedenis.

Foto 1: Bruno Demke, rechts en Adolf Thormann, links voor hun zelf gemaakte vliegtuigje. Foto 2: Piet Dickentman achter Wolf en Thormann met links zijn reservemotor bemant met Gerrit de Regt en Josef Schwarzer. Bij koersen over honderd kilometer was halverwege de benzine op. Dan kwamen De Regt en Schwarzer in de baan waarna Dickentman, in volle jacht, even overwipte. Twee jaar na dat de fotograaf afdrukte vielen Schwarzer, 27 jaar, en Wolf 28 jaar, dood. Foto 3: Kopenhagen 1903, Dickentman, zojuist wereldkampioen geworden met naast zich Thormann.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1907, Radwelt jaargangen 1903 t/m 1923. Vlaamse SportRevue jaargang 1933, interview met Piet Dickentman.

De beruchte quint-Mulder was een feit

quintmulderDat was even een goede investering! Jan Mulder, aanwezig op de wereldtentoonstelling  in Parijs, kocht daar voor zestienhonderd piek, een quintyplette, een vijfmanstandem. Een smak geld in 1895, maar dan had je wél wat. En Jan, bijgenaamd De Houte, wist wel waar hij zijn karretje mee ging bemannen. Mulder kende  nog wel wat jongens. Van die ruwe onbehouwen  knapen waar je een blokkie voor omliep. Mannen net zo wild als Jan en dagelijks te vinden op de wielerbaan achter het Rijksmuseum. De beruchte quint-Mulder was een feit, met Jan, – want het was mooi wél zijn karretje –  aan het stuur. Achter Jans kont Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn, Jan Slesker, en Piet Dickentman. Wedstrijden tussen quinten? Spektakel verzekerd. Vlogen ze niet de baan uit dan was er wel knokken na afloop. Zoals tegen de quint van Italië.  Italianen en sport, een explosieve combinatie.
Het was maar een héél klein zwiepertje die de Houte met zijn jongens uitdeelde. Genoeg om de complete squadra in één klap te elimineren. Nadat de  houtsplinters uit Italiaanse ledematen waren gepulkt ging stuurman Parmac verhaal halen: met een mes in de handen. Dirk van den Berg, een gewezen worstelkampioen, keek ‘per ongeluk’ even de andere kant uit. Het was Dickentman die de rel wist te sussen. Voor quint-Mulder werd Nederland te klein. Jan en zijn rebellenclub gingen voor het grotere werk, want geld, naar Duitsland.Copy of huret9
In Charlottenburg bij Berlijn werd een flatje gevonden:  en wat hadden ze dáár gelachen, vertelde Slesker vijftig jaar na dato in het blad Sportief. Maar er werd ook iedere dag hard getraind op de Friedenaubaan. Vanuit Berlin werd heel Europa bestreken. Quint-Mulder, wat staat voor vijf bravourejongens, verdiende geld als water.
De gangmaakmotor was nog maar net uitgevonden. Behalve koersen tegen andere vijftallen fungeerde  de quint ook als levende gangmaking. Voor niks gaat de zon op en gratis kan je ook nog ‘s in de sloot pissen. Wilde je als profrenner achter Jan en consorten rijden dan  moest de portemonnee open. Honderd mark rekende Mulder voor een paar sprintjes aantrekken. Een financiële klapper werd gemaakt in Hamburg waar behalve wedstrijden voor quinten de  stayerskoers over honderd kilometer het hoofdnummer was. Constant Huret, wereldkampioen stayeren  was dé publiekstrekker. Huret had wél een groot probleem: zijn motor was niet gearriveerd, die stond ergens op één of ander treinperron. Of de quint-Mulder  niet als gangmaker wilde fungeren. Voor twaalfhonderd goudmark ging Jan akkoord.
‘We hebben die Huret honderd kilometer laten jakkeren. Hij werd tweede’, verteld de inmiddels bejaarde Slesker in 1949 aan Sportief.
dirktandemNadat Piet Dickentman in 1899 de overstap maakte naar de zojuist ingevoerde zware motor, was het tijdperk van de vijfzitter voorbij. En de beroemde quint zelf? Die heeft tot diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de catacomben van het Olympisch Stadion liggen te verstoffen om opeens spoorloos te verdwijnen. Hoogstwaarschijnlijk in de container gegooid.

Foto 1: De quint-Mulder, v.l.n.r. Jan Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn, Dirk van den Berg en Piet Dickentman.
Foto 2: Constant Huret in 1898 achter de motor.

‘Die Ouwe Kraai vliegt nog best’

pietzondervouwNa een jaar speuren en onderzoek verschijnt, zo’n drie jaar geleden, het boek ‘Flirt met de Dood’, de  biografie van Piet Dickentman, stayer en Amsterdams allereerste internationale sportheld. Het verhaal vertoont wat ‘witte vlekken’, feiten waar, na bijna een eeuw, niet meer achter te komen was. Stuyfssportverhalen, hartstochtelijk verzamelaar van oeroude geïllustreerde sporttijdschriften scoorde, afgelopen tijd diverse meer dan tachtig jaar oude  jaargangen en ontdekte daarin totaal onbekende feiten én foto’s van Mokums allereerste wereldkampioen. De lezers en vaste bezoekers willen we dat niet onthouden…

Eerst met eigen ogen zien, dán geloven. Hoewel de sportpagina’s ronkten van verbazing en bewondering, liet Joris van den Bergh, nestor van de vaderlandse sportjournalistiek, zich geen oor aannaaien. Ook voor Van den Bergh is een wielrenner van bijna vijftig jaar vér over de houdbaarheidsdatum heen. Die kan geen platte prijs meer rijden. Maar niet Piet Dickentman. Ondanks de kille biologische feiten koerste Ouwe Piet, zoals hij inmiddels in de pers genoemd werd, in Duitsland op het scherpst van de snede. Nadat Dickentman op de Keulse wielerbaan weer eens de rol van de gangmaakmotor had laten schroeien, stonden de zeitungs versteld. De woordjes ‘oud’ en ‘nog zó fit’ duikelden over elkaar heen.
Joris van den Bergh, medewerker van het blad Sport Echo, wilde dat zelf zien en bezocht, augustus 1927, de Rijswijkse wielerbaan, voor een stayerskoers met Leene, Schlebaum, Blekemolen én  Dickentman. ‘Met droge tanige benen, waar de knapste darmenschraper nog geen druppel vet uit weet te halen, draaide hij als in zijn jeugd. Zijn enkels, knieën en heupen waren best gesmeerd’, noteert de journalist, lichtelijk verbaast. pietbrussel
Van den Bergh een man van de harde cijfers, hield zijn stopwatch daarbij goed in de gaten. Zag dat Dickentman, ondanks een harde wind,  rondjes maakte met ruim tachtig in het uur. Wat hem deed uitroepen dat ‘de Oude kraai nog best vliegt’. Dickentman, geen seconde van de rol, sabelde en ranselde zijn tegenstanders, renners, twintig jaar jonger, neer. Om te vervolgen dat de Amsterdammer na zijn laatste rondje door een menigte bewonderaars werd opgevangen. Van den Bergh liet er geen gras over groeien, stond vlak naast de voormalige wereldkampioen en constateerde dat Piets ademhaling ‘zo rustig en regelmatig was alsof hij een paar proefrondjes gereden had’.
‘Die ouwe knar lapt ‘t ‘m toch maar’, om te vervolgen dat de Amsterdammer stukken beter rijdt dan zijn laatste vijf jaar.  Voor Piet Dickentman, negenenveertig jaar, was zijn vorm geen verrassing. Nooit had hij in zijn lange carrière zó serieus geleefd en getraind, onthult hij in de Sport Echo. Iedere dag, zomer en winter, mooi of slecht weer, ging de Amsterdammer de weg op.  ‘Ik heb ervan het jaar ook zo bliksems veel plezier in’, verklapt Piet. Joris van den Bergh,  liet  blijken waar zijn sympathie lag. De man was duidelijk een fan  want schrijft vervolgens dat hij  ‘Dickentman liever had gezien in een kasteeltje in Wassenaar of Bloemendaal’, refererend aan Dickentmans, door de Eerste Wereldoorlog,  verloren kapitaal.
Copy of pietsjonEen jaar later stapte Amsterdams allereerste internationale sportheld én wereldkampioen  definitief van zijn fiets en opende niet veel later een fietsenzaak in de Amsterdamse Scheldestraat.  

Wordt vervolgd.

Foto 1: Dickentman na zijn gewonnen race in Rijswijk. Foto 2: De winter van 1926, stayerskoers in het sportpaleis van Brussel. Foto 3: Links Leene, Schlebaum, Blekemolen en Piet Dickentman.

Bron: Verslag in Sport Echo, jaargang 1927.

De kapitein heeft de brug verlaten

lotttipajanDé tip kwam notabene uit Duitsland. En die was goed! Na weken vruchteloos naar nazaten van de sportlegende Piet Dickentman gespeurd te hebben wist iemand uit Berlijn te vertellen  dat  onder de naam ‘Dikkentman’ gezocht moest worden. Raak! Pieter Dikkentman, kleinzoon van de stayerslegende mailde niet veel later een stel volkomen onbekende, prachtige  actiefoto’s van zijn illustere opa. Een kippenvelmoment! Maar de grootste verrassing was dat hij vertelde dat tante Lotti meer wist. Tante Lotti? De dochter van Piet Dickentman? Leeft ze dan nog? Inderdaad! Aan de telefoon klonk een jeugdige stem die allesbehalve bij een dame van over de negentig hoorde. Na een kleine aarzeling die een van een paar dagen  duurde, was ik van harte welkom.
Piet Dickentman dus! Behoorde samen met Jaap Eden  tot dé sportpioniers van dit land. In tegenstelling tot Eden was over Dickentmans leven én carrière niet zóveel bekend. Piet was gewoon vergeten, weggezakt in de sportgeschiedenis. Ten onrechte. De carrière van  Dickentman, (zie: link http://stuyfssportverhalen.com/category/piet-dickentman/) duurde van 1898 tot 1928 en speelde zich voornamelijk af in Duitsland.  Het stayeren bij de oosterburen in de jaarboeken van Radwelt, uitgegeven van 1902 tot en met 1928, werd met gründlichkeit bijgehouden. Pagina’s vol met staatjes, uitslagenlijsten, het aantal gereden koersen. Pas nadat de complete serie Radwelts, héél zeldzaam in één koop, bij een boekenantiquariaat werd gescoord, kon Stuyfssportverhalen de carrière van Dickentman aardig in beeld brengen. Maar hoe zijn maatschappelijk leven eruit zag…Copy of leipzig1
Mevrouw Lotti Dickentman was zo vriendelijk om dát hiaat in te vullen. In haar huis gelegen aan een rustiek polderweggetje, vertelde zij het tot dan onbekende verhaal over haar vader. Het werd een memorabele ochtend. Aan de grote tafel gezeten, met zachte klassieke muziek op de achtergrond, vertelde Lotti het ontroerende, fascinerende, maar ook een dramatische levensloop van Piet Dickentman. Uit alles sprak een heel grote liefde voor haar vader. Na eerst haar op het hart gedrukt te hebben dat ik alleen kwam voor ‘het verhaal’ en nergens anders voor, kwam van mij de vraag of er nog stoffelijke parafernalia waren. Een doos met foto’s, geschreven ansichtkaarten, zijn koersschoentjes en andere documentatiemateriaal werd op tafel gezet.  Een schat.
Maar de allergrootste klapper moest nog komen. Met twee gouden medailles, waarvan ze, zo vertelde Lotti, niet wist waar die bij hoorde. In haar handen rusten dus twee héél belangrijke sportrelikwieën uit onze sportgeschiedenis. De ene medaille was van Piets enige wereldtitel gehaald in 1903 en de ander behoorde bij wat zijn allergrootste overwinning was in bijna dertig jaar stayer: de gouden plak van het Oberweltmeisterschaft in 1910. Piet Dickentman klopte toen de zeven allerbeste stayers, want allemaal gewezen wereldkampioenen, van dát moment.
Copy of pietsdochterNa het uitkomen van ‘Flirt met de Dood’, de biografie over Dickentman, werd via zoon Daan nog regelmatig contact gehouden.
Eergisteren mailde Daan dat zijn moeder afgelopen maandag, rustig is overleden. Lotti Dickentman, ‘een zeer sterke vrouw, een kapitein die zojuist de brug heeft verlaten, is op reis’,  zoals op de rouwkaart staat, werd 93 jaar.

Foto 1: Achterop bij papa Piet. Links gangmaker Jan Slesker. Foto 2: Piet, zojuist de Grote Prijs van Dresden gewonnen schrijft op de voorkant naar zijn dochtertje dat ‘Papa naar huis gaat’. Foto 3: Lotti Dickentman.

 

Radiodocu over Amsterdams allereerste wereldkampioen

…luister naar de prachtige en ontroerende radiodocu over Piet Dickentman waarin Stuyfssportverhalen, als Piet’s biograaf, maar ook Lotti Dickentman, de drieennegentigjarige dochter van Piet vertelt over Amsterdams allereerste internationale sportheld! 
Klik op: http://www.hollanddoc.nl/kijk-luister/documentaire/d/de-dood-sprint-mee.html

Van de vrijwel uitverkochte biografie van Piet Dickentman, ‘Flirt met de Dood’, zijn nog zo’n dertig exemplaren over.

Deze zijn te bestellen door tien euro (inclusief verzendkosten) over te maken op ING-nummer 28.28.25.3 t.n.v. André Stuyfersant, Amsterdam.


Jongens waren het nog

Tien minuten voor de start. De koersdirecteur had met een reuzentoeter de renners al opgeroepen. Op het middenterrein staat Piet Dickentman. Hij is nerveus. Gespannen tot in alle  vezels van zijn afgetrainde, pezige lijf. Niet alleen hij. Ook zijn gangmakers. Dan komt ook nog die klotefotograaf met zijn kiekkast aan. Met strakke, wit weggetrokken koppen en in zichzelf gekeerde blikken wordt geposeerd. De Grote Prijs van Leipzig een koers over honderd kilometer staat op punt van beginnen. Het stadion met veertigduizend man is uitverkocht.
Ondanks de reuring horen de vijf mannen niets. Ieder is met zijn eigen gedachten bezig. Het is 1903 en nog maar drie jaar daarvoor was de zware motor op de wielerbaan ingevoerd. Piet voelde het litteken op zijn rug trekken. Overgehouden aan zijn eerste koers in Wenen waarbij hij ten val kwam. Dagen had hij in coma gelegen. Zal hij er mee stoppen? Is dat het allemaal waard? Toch maar doorgaan, hield hij zich zelf voor. Nog een paar jaar op dat niveau koersen en hij zal zich financieel nooit meer zorgen hoeven te maken. Maar daar waren die vreselijke gedachten weer. De eerste doden, jongens die hij persoonlijk kende, waren al te betreuren. In Dickentmans hoofd ketst een verchroomde flipperkastballetje tussen de hersenstammen. Vragen, vragen en nog eens vragen. Zijn gangmakers werden er dol van. Of er genoeg benzine in de tanks zit. Voor de zoveelste keer worden de banden nagekeken.
Gestart wordt achter Adolf Thorman met aan het stuur Ernst Wolf. Voor de twintigste keer wordt de aflossing besproken. Na vijftig kilometer is de benzine op. In volle vaart komen dan Gerrit de Regt en Joseph Schwarzer in de baan. Met tachtig kilometer in het uur wipt Piet dan even over. O, mijn god als ze maar snelheid houden, schiet het bij de Amsterdammer door zijn hoofd. Even niet opletten en ik zie nooit meer de Westertoren. 
Piet, Gerrit, Joseph, Ernst en Adolf, jongens van nog geen vijfentwintig jaar. Iedere koers gaven ze waar voor hun geld. Vlogen er vol jeugdig enthousiasme erin. Ook in Leipzig. De moffen stonden na afloop op de banken. De winnaar werd Pruisisch toegejuicht. Minzaam zwaaide Dickentman met de bloemen. De overwinningsklokken luidden voor hem en zijn jongens. En toch… Als je goed luisterde, hoorde je ook een heel klein doodsklokje er tussen klepperen.
Vier jaar later. Op de wielerbaan van Dresden verongelukt Ernst Wolf, achtentwintig jaar. Een jaar daarvoor stond Piet Dickentman ook aan het graf van Joseph Schwarzer, zevenentwintig jaar en te pletter gevallen tijdens de Grote Prijs van Dusseldorf…

 Foto 1: Vlak voor de start van de Grote Prijs van Leipzig wordt met strakke koppen geposeerd.
Foto2: Piet Dickentman trainend achter zijn jongens. Op de motor Adolf Thorman die Dickentman ook naar zijn enigste wereldtitel leidde. Aan het stuur Ernst Wolf. Rechts Josef Schwarzer met stuurman Gerrit de Regt.
Foto 3: De Grote Prijs van Leipzig staat op Dickentmans naam.  De smoelen nog steeds strak. De dood was dan ook niet ver weg geweest.

Een levenlang Herr Oberweltmeister

Het nieuws vloog als een razend vuur door Berlijn. Binnen enkele uren was het stadion uitverkocht.  Kaartjes gingen op de zwarte markt voor een veelvoud van de hand. In de Stubes werd over niets anders gesproken. Het zinderde in de stad. Er hing iets in de lucht. Krantenkoloms werden vol geschreven. Spektakel in overtreffende trap. Maar daarvoor was eerst een conflict nodig. De UCI, de internationale wielerbond, lag in conflict met de Duitse manager Knorr: die alle topstayers onder contract had. Prompt vaardige Knorr een oekaze uit. Niet één van zijn jongens mocht meedoen aan het wereldkampioenschap stayeren, gehouden in Brussel.
Uit rancune organiseerde Knorr een eigen kampioenschap. Het Ober-Weltmeisterschaft, de overtreffende trap van Weltmeister, werd verreden op de baan van Steglitz.  Met als extra dimensie dat er liefst acht voormalige wereldkampioenen aan de start stonden. Voor de winnaar lag aan de finish een pot gevuld met drieduizend goudmark. Het publiek voelde aan zijn water dat er spektakel zat aan te komen.
Godsallemachtig, het ging dan ook wel om iets. Combines zijn uitgevonden door stayers, die onderling nog wel eens iets willen ritselen. Maar niet tijdens het Ober-Weltmeisterschaft van 1910. Daarvoor stond er iets te veel op het spel. Dat geld kon ze gestolen worden. Het ging om de eer. Zo’n sterk deelnemersveld zal nooit meer aan één koers meedoen. Voor meer dan dertigduizend toeschouwers werd ‘rechtuit’ gereden.
Aan de start ook Piet Dickentman.  Piet gaf gangmaker  Brettschneider de opdracht de gashandel open te houden. ‘Ik klopte ze allemaal’, vertelde de Amsterdammer  in 1949 tegen een verslaggever van Het Nieuws van de Dag. Dickentman, de rest van zijn leven door de Duitse pers Herr Ober-Weltmeister genoemd, reed meer dan dertig jaar achter de motor. Was wereld- én Europees kampioen, verbrak snelheidsrecords,  won honderden koersen en schreef tientallen Grote Prijzen op zijn naam. Maar wat zijn mooiste overwinning was, wist hij bijna veertig jaar later precies. Het Ober-Weltmeisterschaft, vertrouwde hij de krant toe.
Over zijn zege in Steglitz was hij tot aan zijn dood zo trots als een pauw.  Dickentman, een man van het volk, calvinist, wars van kapsones,  pronkte op officiële gelegenheden  met zijn gouden overwinningsmedaille, gespeld op de revers van het colbert.
Twee jaar geleden: Stuyfssportverhalen op zoek naar nazaten van Dickentman weet zijn inmiddels tweeënnegentig jarige dochter Lotti op te sporen.
Lotti Dickentman vertelde niet alleen het prachtige levensverhaal van haar vader, maar liet ook een paar gouden medailles, hangend aan een gerafeld horlogebandje, zien. Totale verbijstering en verbazing bij Stuyfssportverhalen. De ene was Piet’s overwinningsmedaille van zijn enige wereldtitel. De ander van wat Dickentman zelf zijn mooiste zege vond: het Ober-Weltmeisterschaft.

Foto 1: Voor de start van wat later de belangrijkste koers uit het stayeren werd. Tweede van rechts Piet Dickentman. 
Foto 2: De gouden overwinningsmedaille in bezit van de familie Dickentman.
Foto 3: Tot aan zijn dood mocht Dickentman graag pronken met zijn medaille.
Bron: ‘Flirt met de Dood’ uitgegeven door Stuyfssportverhalen. Lotti Dickentman.  

Je moest namelijk de plekken weten

Ze noemen het de tijd waarin alles vijftig jaar later gebeurde. Saaiheid troef. Maar dat is geleuter. Niets van waar. Laat die historici maar kletsen. Je moest namelijk de plekken weten! Wist je die, dan zat je geramd. En dat voor een luttel bedrag. Het bloed spatte je dan om de oren. Levens hingen aan zijden draadjes. Alsof je een blinde trapezewerker zonder vangnet in actie zag. Dat soort werk. Fijne tijden voor een adrenalinejunk  zo rond 1900.
Ook op de Amsterdamse Wielerbaan, begin september 1901. Tribunes vol met strohoeden en korsetten. Opgewonden wachtend op de tweestrijd Emile Bouhours tegen Piet Dickentman. Een race achter motortandems. Motoren werden aangeduwd. Harde plofgeluiden over de baan. Rillingen in onderbuiken. Natte plekken op houten banken.  Amsterdamse Piet, toffe jongen uit de Jordaan, was dé favoriet. Dickentman, pas een jaar stayer, glorieerde op de Duitse wielerbanen.  Was in Germanenland een  opkomende ster. Iedere maandag deden de lokale kranten verslag. Verbaast dat Pietje die fietsende moffen het leven zo zuur maakte.  En dat wilden Amsterdammers wel eens met eigen ogen zien. Die kregen waar voor hun stuivers.
Spektakel in de zesde ronde. De ketting van Bouhours motor vloog er vanaf. Kwam terecht in  het achterwiel.  Nadat de stuurman van de wielerbaan was geschraapt, werd er overgestart. Bouhours achter de reservemotor, kreeg de geest, en jakkerde ver voor  Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, gebeurden spannende zaken. De voorband van Piets motor, met tachtig in het uur,  vloog er af.  Dickentman, én zijn gangmakers Adolf Thormann en Jozef Schwarzer, gietijzeren cowboys uit Berlijn, werden gelanceerd.
De catastrofe  was nog niet compleet. In een flits stuurde de stuurman van Bouhours zijn motor omhoog. Ontzetting op de tribune. Ga er maar even aan staan. Alsof een rijdende bom op je afstormt. Stuurman en balustrade werden verpletterd. Gedeelte smart is natuurlijk géén halve smart.   Piet Dickentman en zijn jongens lagen te krimpen van de pijn en werden, volgens het Nieuws van den Dag ‘deerlijk gewond met bloedende wonden aan hoofden, armen, borst en beenen’, afgevoerd richting Wilhelmina Gasthuis. 
Bij Piet Dickentman, als stayer actief tot in 1928, hoorde ongeluk én dood als een papegaai op de schouder van een piraat. Stuyfssportverhalen heeft uitgerekend dat de Amsterdamse rolrijder  meer dan twintig keer aan de groeve van een verongelukte collega stond. Zelf crashte hij meer dan tien keer. Waarbij hij dagen in coma lag. Piet, zeventig jaar geworden, kon het nog navertellen. 

Foto1: Piet Dickentman, achter de motortandem, Foto 2: Fransman Emile Bouhours en Piet Dickentman, wereldtoppers. Foto 3: De begrafenis van motorhelper Orlemans, gesneuveld in 1922 in het Amsterdamse Stadion. Eén van de slippendragers was Dickentman, rechts.

Bron: Nieuws van den Dag, jaargang 1901.

Als beloning een monumentaal graf

Copy of piethaberePubliek, organisatie en renners, iedereen had er trek in. Na een barre winter was de Grote Oostprijs, een koers over honderd kilometer, de eerste grote internationale stayerswedstrijd in het Leipzig van 1914. Meer dan dertigduizend liefhebbers hadden de weg gevonden naar de lokale wielerbaan.  Aan het vertrek de Duitsers Peter Günter, Arthur Stellbrink, de Deen Gustav Janke, de Spanjaard Miquel en de Amsterdammer Piet van Nek. Nog één minuut voor het vertrek! Renners werden door verzorgers vastgehouden, de motoren aangeduwd, de starter controleerde zijn pistool en de fotograaf drukte nog één keer af. Voor één renner werd het de allerlaatste foto. Een half uur later lag hij stervend op de baan. 

Aan zijn voorbereiding had het niet gelegen. Nooit eerder had Piet van Nek zich zó serieus op een nieuw seizoen voorbereid. De winter werd doorgebracht op de Parijse winterbaan waar Van Nek zich de pokken trainde. Afgetraind, pezig, broodmager, maar tjokvol ambitie, meldde de Amsterdammer zich in het vroege voorjaar in Dresden waar de puntjes op de i geplaatst ging worden. Achter zijn nieuw gecontracteerde gangmaker, Albert Käser, werd dagelijks op  koerssnelheid geoefend. Hij wist dat zijn doorbraak een kwestie van weken was. vanneklaatstekoers2
Voor Van Nek was de tijd van oogsten aangebroken. Meer dan zeven jaar had Piet in zijn sport geïnvesteerd: harde jaren van zelfopoffering waarin hij zich in iedere koers de ballen van het lijf had gereden. In het stayersmaffe Duitsland met zijn meer dan vijftig topstayers zaten ze echt niet op dat kereltje uit Holland te wachten. Piet, snakkend naar erkenning, sloop iedere koers tergend langzaam naar de definitieve top. De laatste drie seizoenen schurkte de Amsterdammer zich steeds vaker tegen de vedettenstatus aan want won toonaangevende wedstrijden.
Dat Piet van Nek zijn lotsbestemming in een levensgevaarlijke stiel als het fietsen achter een zware motor gevonden had, was niet zó moeilijk. Zoals zoveel Amsterdamse renners waren de prestaties van stadsgenoot Piet Dickentman hem niet ontgaan. Met bewondering en een tikkeltje jaloezie zag de aankomende rolrijder hoe Dickentman ieder jaar rijker en welgestelder werd.  Dickentman, dé sportster van Amsterdam, verdiende als stayer in Duitsland bakken met goud.
In 1905 maakte Van Nek de overstap van ordinaire wegrenner naar stayer. Op de hoofdstedelijke Zeeburgbaan beleefde hij zijn debuut. Twee jaar later mocht Van Nek, als amateur, de eer van zijn land verdedigen in Parijs waar het  wereldkampioenschap gehouden werd. Met een verdienstelijke vierde plek kwam Piet terug in Mokum. Een jaar later achtte Van Nek zich goed genoeg om een proflicentie aan te vragen. Gekoerst werd voornamelijk in eigen land en een enkele keer mocht hij opdraven als programmavulling in Duitse koersen. Kansen welke Van Nek niet liet lopen.
Zoals in de Grote Prijs van Steglitz in 1907 waar hij, achter gangmaker Brettschneider, totaal onverwacht de overwinning greep. Tussen 1908 en 1913 begon zijn ster te rijzen en werd vijfendertigduizend goudmark op zijn bankrekening geschreven.  Tussen zijn Duitse contractuele verplichtingen in was Van Nek ook op de vaderlandse wielerbanen actief waar hij, in 1907 en 1913, de nationale titel pakte.
En dan is het 13 april 1914, de Grote Oostprijs van Leipzig. Met een vet contract op zak was Piet van Nek de te kloppen man. Het liep anders. Na een half uur koers waarbij de kilometerteller tegen de negentig liep kreeg Van Nek een klapband. Bewusteloos werd de Mokumse rolrijder naar het krankenhaus afgevoerd waar hij dezelfde nacht stierf.
Piet van Nek, 28 jaar, werd op de Amsterdamse Nieuwe Oosterbegraafplaats ten ruste gelegd. Van Nek, een doodgewone Amsterdamse jongen die aardig kon fietsen, was allang in de vergetelheid gezakt ware het niet dat op zijn graf een prachtig monumentaal gedenkteken opgericht werd, betaald door zijn vrienden en supporters. Anno nu is het graf van Piet van Nek een beschermd rijksmonument en een pronkstuk op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Foto 1: Het duo Albert Kaser en Piet van Nek.
Foto 2: Sleets, overbelicht en zwaar geretoucheerd maar toch een uniek document want de allerlaatste foto van Piet van Nek.
Foto 3: Het graf van Piet van Nek. Op het monument Piet mét stayersfiets in reliëf geflankeerd door twee figuren, voorstellend  De Roem en De Dood.

Bron: Radwelt jaargangen 1908 t/m 1914.



Met getrokken pistool bij de motor…

Foto 1

Na een jaar speuren en onderzoek verschijnt het boek ‘Flirt met de Dood’, dat, gezien de recensies en verkoop,  een succes blijkt te zijn. Maar het verhaal vertoont toch ‘witte vlekken’, feiten waar niet meer achter te komen is. Om de biografie van Piet Dickentman, Amsterdams allereerste international sportheld, te schrijven was een heidense klus, want de man was meer dan honderd jaar geleden actief. Dan is het maanden na het uitkomen van het boek! Struinend op een boekenmarkt worden drie vooroorlogse jaargangen  van een het Vlaamse sportblad  gescoord. Beduimelde, fragiele en kwetsbare tijdschriftjes maar barstensvol wielerverhalen, uitslagen én foto’s. En bladerend in één van die blaadjes stuit Stuyfssportverhalen op een interview met…Dickentman. In het drie pagina lange verhaal vult   Piet, dan vier jaar gestopt als stayer, de ‘witte vlekken’ in . Een nachtmerrie voor de biograaf, maar ook weer niet. Want Mokums allereerste wereldkampioen vertelt een prachtig, smeuïg verhaal over de ‘cowboytijd’ van het stayeren waarbij renners miljonair werden maar ook als witjes dood vielen. De lezers maar ook de vaste bezoekers van deze blog, willen we dat niet onthouden…
‘Ik ben begonnen op de fameuze quint Mulder’, begint Piet zijn verhaal. ‘Wij reisden heel Europa af en op één van deze reizen ontdekte ik mijzelf als stayer. Piet, jongen, daar zit wat in, dacht ik. Ik probeerde het en het ging meteen goed, ik maakte naam waarna ik mij in Berlijn vestigde.’
Voor Dickentman was Berlijn het middelpunt van waaruit hij heel Duitsland en Frankrijk bestreek: de stayerslanden bij uitstek. ‘In mijngoede tijd’, gaat hij verder, ‘Was het stayeren de hoofdschotel van elk programma. Iedere zondag waren de banen afgestampt vol, of het nu in Berlijn, Dresden, Parijs, Maagdenburg of waar dan ook was.’Volgens Dickentman was dat geen kleinigheidje, want de Amsterdammer kon en moest volle bak geven. ‘Elke koers moest je de volle honderd kilometer rijden en goed ook, want steeds wist je dat je gevaarlijke concurrenten had, die op je plaats loerden. Die je wilden verdrijven.’

Foto 2

Brandenburg
In de geraadpleegde archieven kwam een beeld naar voren dat Dickentman een trainingsbeest was dat zijn lijf goed verzorgde, maar in de Sport Revue geeft hij nog niet bekende details prijs. ‘Het publiek eiste veel, het publiek eiste alles en daarom moest je je body tot het uiterste trainen. Zo reed ik steevast iedere morgen achter de motor, maar dat was nog niet alles. Vrijwel ieder dag ging ik de weg op en reed van Berlijn naar Brandenburg en terug en dat is een afstand van honderdveertig kilometer.’ Van Dickentman was ook bekend dat hij regelmatig op de fiets naar Amsterdam reed.
Ruige wereld
In Kopenhagen 1903 behaalde Dickentman de wereldtitel bij de profstayers, de enige in zijn indrukwekkende carrière die bijna dertig jaar duurde. Het prehistorische stayeren was een ruige wereld waarin renners en gangmakers wekelijks hun leven op het spel zetten, en dat laatste leverde bij de beoefenaars een bepaalde vorm van fatalisme op, dat op de toenmalige wielerbanen tot uiting kwam in een woeste, en wilde mores. Ook bij de wereldtitelstrijd in Denemarken.
‘Het was een mooie maar uiterst moeilijke race’, vertelt Dickentman. ‘De toestand was nogal gespannen. De nacht voor de race sliep mijn gangmaker met een getrokken pistool bij zijn motor. Zo bang waren wij dat de concurrentie de motor zou saboteren, want dat was géén bijzonderheid in die dagen. Robl (dé onklopbare stayer in die dagen: Stuyfssportverhalen), die ook in 1901 en 1902 de wereldtitel veroverde, was de grote favoriet. De avond voor de koers trakteerde hij al zijn vrienden op champagne, zó zeker was hij van zijn overwinning. Verder waren Contenent en Görnemann ernstge kandidaten voor de titel. Zestig kilometer lang heb ik gestreden voordat ik hen, maar vooral Robl, van mij afgeschud had. Maar het lukte, want daarna was ik zeker van de overwinning. Robl liet ik ten slotte negen ronden achter mij, terwijl Görnemann vijftien banen verloor. Later heeft de koning van Denemarken, die de gehele race meemaakte, mij eigenhandig de overwinningsmedaille uitgereikt’.
Herr Knorr
De wereldtitel was lekker meegenomen, verhoogde zijn marktwaarde maar was niet zijn belangrijkste overwinning. ‘Mijn mooiste overwinning was op de wielerbaan van Steglitz in het Berlijn 1910. Herr Knorr (dé allerbelangrijkste manager in die tijd: Stuyfssportverhalen) had ruzie met de UCI en wij, zijn renners, mochten van hem niet aan het wereldkampioenschap in Antwerpen meedoen. Als wraak organiseerde Knorr, in Berlijn, het Oberweltmeisterschaft. Daar deden tien gewezen wereldkampioenen aan mee. Deze honderd kilometerrace die de mooiste van mijn leven was, won ik. De Steglitzbaan was binnen een dag uitverkocht. Er zaten meer dan dertigduizend man. De minste plaatsen kosten toen drie mark, in die tijd een heel bedrag. Knorr heeft er schatten aan verdiend. Toen ik na afloop van die wedstrijd aan hem vroeg of het goed gegaan was met de financiën, antwoordde hij met Nah gerade ausgekommen. Hij vroeg er ook bij of ik ’s nachts om vier uur met mijn automobiel even op de baan wilde komen. Om hem met iets te helpen. Ik ben gegaan en zal die tocht nooit meer vergeten. Samen hebben wij het geld, dat Knorr die avond verdiend had, in mijn wagen geladen. Tientallen zakken met klinkende munt heb ik toen naar de bank gereden, omdat mijnheer Knorr Gerade auskomen was.’

Foto 4:

Foto 1: Vlak voor het startschot van de Grote Prijs van Berlijn. Rechts Piet Dickentman, naast hem, met witte pet, herr Knorr, en uiterst links Franz Krupkat: in 1927, tijdens de Grote Prijs van Leipzig doodgevallen.

Foto 2: Diploma behorende bij de wereldtitel en hangend in de kantine van Olympia, de club van Piet Dickentman.

Foto 3: De strijd is gestreden en Piet Dickentman heeft de wereldtitel binnen. Links gangmaker Adolf Thormann. De twee mannetjes naast Dickentman zijn bondsbobo’s  Jacq Heck en J. Gelderman.

Foto 4: de kantine van de Amsterdamse wielervereniging Olympia waar zich de fiets, shirts, diploma en overwinningslint van Piet Dickentman zich bevinden. Belangrijke Nederlandse sportrelikwieën dat eigenlijk in een museum thuis hoort.

Foto’ s: Archief Stuyfssportverhalen, Hilco Koke



error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: