Bioscoopbroekzak

Een man zonder broekzakken, is een ontheemde stumper. De broekzak, per definitie dé veilige plek waar  handen altijd een warm asiel vinden, waarbij we vooral niet moeten denken aan het begrip ‘bioscoopbroekzak’.  Vlak vóór de start van een stayerskoers, heeft een stayer  nou eenmaal geen pantalon aan. Als dan ook een fotograaf op de proppen komt, heeft hij probleem. De armen gaan dan maar onwennig over elkaar. Of worden geparkeerd op de heup.  Vermoedelijk kon ze dat geen moer schelen, hoe ze op die foto gingen.  Aan de lichaamstaal te zien hadden ze  helemaal geen trek om te poseren. Dat ze dat wél deden, was natuurlijk door de strot gedrukt door  de directie van de wielerbaan.   

Een vergeelde foto, gemaakt vlak voor de start van Het Gouden Wiel van de Rijn. Een stayerskoers over een uur,  gehouden op de lokale wielerbaan van Keulen, tijdens het goddelijke jaar 1912,  waar in het Duitsland van vóór de Eerste Wereldoorlog er honderden van waren.  Enfin, Fritz Ryser, Richard Scheuermann, Thuur Vanderstuyft, Peter Günther en Klaus Zeisler, waren gecontracteerd voor een  koers over een uur. De lokale favoriet, Keulenaar Peter Gunther, werd winnaar, wat niet zó verrassend was.  Dat Günther met zijn overwinning, zeventienhonderd goudmarken opstreek is voor de statistieken. Véél aardiger is te weten wat er later gebeurde. Aardig…?  Dertien maanden later, op diezelfde wielerbaan, tijdens de Grote Herfstprijs verongelukte Richard Scheuermann, een voormalig kleermaker. 

Zes jaar later in 1918, kondigde zich ook het definitieve einde van Peter Günther aan. Peter, wereldkampioen stayeren in 1911, verongelukte dodelijk tijdens de Grote Herfstprijs van Düsseldorf. En dan is er ook nog Fritz Ryser, ook een voormalige wereldkampioen. Ryser, tijdens zijn stayercarrière betrokken bij diverse bloedbaden op de Duitse wielerbanen, zoals de catastrofe op de wielerbaan van de Botanische Garden in 1909, waar zijn  gangmaakmotor in volle vaart  tussen de volgepakte tribunes terecht kwam: negen doden. Fritz, ontsnapt aan deze hel, stierf in 1916 in zijn Berlijnse woning, waarbij het niet uitgesloten was dat de man vrijwillig uit het leven was gestapt.

Scheuermann, Günter en Ryser, mannen in bonus, want rijk geworden met hun sport.  Waar ze weinig plezier aan hadden, Want een doodshemd heeft geen zakken. Laat staan broekzakken…

Bron: Album der Radwelt jaargang 1912.   

Harde koppen

Donderdag22 Januari 1942. Op de Atlantische Oceaan brengt Karl Thurmanns, kapitein van de U-553, met een geslaagde torpedoaanval, de Noorse tanker Inneroy tot zinken. Zesendertig Noorse zeelui zagen nooit meer hun geliefde fjorden terug. Terwijl Thurmann zijn periscoop introk, bestoken geallieerde bommenwerpers Enschede. Tweeëntwintig burgerslachtoffers. Op dezelfde dag laten  zevenenveertig Britse bommenwerpers hun dodelijke lading los boven Munster. De doden zijn niet te tellen.

22 Januari 1942, start ook de achtste Elfstedentocht. Bijna duizend wedstrijdrijders en zo’n achtendertighonderd toerrijders, staan op de drempel van eeuwige roem. En we gaan niet vertellen wie de winnaar werd, want dát behoort iedere sportfanaat op te kunnen dreunen. De Elfstedentocht, van oudsher dé kans om van een simpele boerenjongen tot eeuwige ijsheilige te worden uitgeroepen. Tenminste, als je als eerste over de streep in Leeuwarden glijdt.

Voor de overige finishers wacht als beloning, het patent om de rest van hun leven de kinderen en kleinkinderen lastig te vallen met het inmiddels, tot epische proporties gevormde, ‘heldenverhaal’. Waarbij opa strak naar het Elfstedenkruisje wijst, hangend aan de muur.  1942, ook de tijd dat jonge mannen gedwongen werden om in Duitsland in de oorlogsindustrie te werken. Dat op deze donderdag, meer dan vijfduizend voornamelijk jonge kerels op de schaats stapte is een nooit opgelost raadsel. Maar wat maakt dat eigenlijk uit?

Vijfduizend schaatsers. En de firma Nooitgedagt, gevestigd in IJlst was er daar ook bij. Nooitgedagt, dé fabrikant van de ‘Friese doorloper’, dé mythische schaats,  leek het wel een aardig idee om van deze editie een fotoboekje in oblongformaat uit te brengen, gevuld met vijfenvijftig foto’s. Foto’s met een mooi tijdsbeeld van de gemiddelde Elfstedenrijder, anno jaren veertig. Stoere kerels, harde koppen, plusfourbroek, alpino op. De oren beveiligd met zo’n lullig oorkapje, in zwart-wit afgedrukt. Reserveschaatsen op de rug.

Het boekje doorbladerend bekruipt je een weemoedig gevoel dat dat, waarschijnlijk nooit meer terug komt. Althans, als je Gerrit Hiemstra, en nog wat van die weerprofeten moet geloven. Hoop doet leven, om maar een lullig spreekwoord te gebruiken. Laten we hopen dat de boerenjongens ooit weer gelokt worden met de kreet ‘it giet oan’. En voor ik het vergeet te vertellen: op 22 januari 1942, tijdens de achtste Elfstedentocht lieten drie deelnemers het leven.

Bron: ‘De Elfstedentocht 1942’, uitgegeven in 1942 door de firma J. Nooitgedagt & Zn, IJlst. De wonderlijke databank van John Brouwer de Koning.

Duik

Opeens was hij er. Zomaar, van uit het niets. Foto’s gemaakt van ene Eugène Lefebvre, spatten pontificaal uit de kolommen van La Vie au Grande Air, hét Franse sportblad van de  belle epoque. En Eugène deed niet eens aan sport. Althans niet in het zweet des aanschijns. Eugène was namelijk piloot. Een niet te onderschatte iets. Want het was wél 1909, de tijd dat een vliegtuigje bestond uit een krakkemikkige motor, een hoop latjes, bijeengehouden door pianosnaren én zeildoek.  

En wat nou zo raar was… Ondanks dat Eugene nóóit een nat shirt had gekregen, van wat voor inspanning dan ook, was zijn debuut in het sportblad metéén raak. Want tussen  de in details beschreven verslagen van de meest vreselijke, dodelijke ongelukken in de toenmalige autosport, opgeleukt met foto’s van in kreukels liggende slachtoffers, mocht de komst van Eugene er zijn.

Eerst even vertellen over Eugene geestelijke toestand. De man zat nergens mee. Was het ál een prestatie om zo’n vliegtuigje in de lucht te houden, Eugene ging daar gewoon mee stuntvliegen. Eugene Lefebvre, sigaret in de mondhoeken, pet achterstevoren, jaagde met enige regelmaat de duizenden toeschouwers, opeen gepakt op houten tribunes, de stuipen op het lijf. Ook tijdens de Grande Semaine d’ Avation een vliegshow gehouden in het Reims van 1909.

Eugene, hoog vliegend in zijn Wright-Flyer, leek het wel leuk om een duikvlucht te maken richting tribunes, om op het allerláátste moment op te trekken. Waarbij hij met z’n vliegtuigje de vlaggen van de masten rukte, en de pluimen van de dameshoeden deed knakken. Van die zekerheden in het leven, want het ging natuurlijk mis.

Negen dagen later, vliegend in de buurt van Juviy, kreeg Eugene zijn vliegtuigje niet meer uit een duik getrokken. Alsof iemand een modelvliegtuigje op de grond had gesmeten.  Zo zag oogde de foto van het wrak: Eugene verpletterd in het midden. Eugene Lefebvre, maakte even goed geschiedenis. Eugene was namelijk het eerste dodelijke slachtoffer in de luchtvaart. Weinig, maar toch…

Bron: LA Vie au Grand Air, jaargang 1909.

Vuile wind uit de beerput

De combinatie Minneboo en Walrave. Foto: Koen Suyk, Nationaal Archief

Van oudsher werd bij het stayeren altijd wel iéts geregeld. Een kwestie van geven en nemen, maar dan wél bij de kleinere, onbeduidende koersen. Vooral tijdens het interbellum, hielden de internationale gangmakers goed in de gaten dat dat niet uit de hand liep. Eigenbelang, want de sport moet geloofwaardig blijven. Na de oorlog verdween deze erecode heel langzaam, en gleed de stayersport langzaam in de klauwen van een clubje corrupte gangmakers. Bedrog, en verraad, klotste tegen de tribunes van de wielerstadions. Vooral de wereldkampioenschappen waren verworden tot een soort veemarkt, waar het hoogste bod goed was voor de wereldtitel.  Eind jaren zeventig deden onderzoeksjournalisten Frits Barend en Henk van Dorp, daar een gedegen onderzoek na. Waarbij vijfvoudig wereldkampioen Gabby Minneboo, de omerta doorbrak. Wat volgde was een onthullend verhaal,  gepubliceerd in Vrij Nederland.  

Met de opmerking, ‘de beerput opentrekken’, trapt Gabby Minneboo af, als hij het  heeft over het wereldkampioenschap van 1978, gehouden in München. Waar Minneboo, als dé grote favoriet, voor de voor de vierde keer achtereen de regenboog ging pakken.  ‘Ik was de beste tijdens de trainingen en had in de series de snelste tijd. Maar toch werd in München, de Duitser Podlesch wereldkampioen, en werd de ijzersterke Pronk tweede en Rietveld derde’. 

Minneboo: ‘Ik ben daar ongelooflijk belazerd. Door wie? Door mijn eigen gangmaker Bruno Walrave, die tijdens de finale er voor zorgde dat ik steeds in de ‘vuile wind’ reed. Hij had bewust,  een andere, dan de ideale positie op z’n motor ingenomen. Het was de bedoeling dat ik achter de motor vandaan zou waaien. Na een paar rondjes in deze finale, waaide ik inderdaad, bijna van de motor vandaan. Wat vreemd, dacht ik, ik krijg steeds hele stoten vuile wind in mijn gezicht. Na afloop dacht ik eerst nog: hoe kan dat nou gebeuren met zo’n ervaren gangmaker als Bruno Walrave. Maar al vrij snel werd het mij duidelijk,  dat de beste, brave mijnheer Walrave zich helemaal niet had vergist. Hij had dat bewust, expres gedaan. Ik ben ongelofelijk belazerd. Daar kwam ik een paar maanden na dat kampioenschap, stom toevallig achter. Wij reden toen in Berlijn, toen iemand achteloos tegen mij vertelde, dat  Podlesch héél veel geld aan Walrave had betaalt voor die wereldtitel’.

‘Of ik in Berlijn aan Walrave opheldering had gevraagd? Nee, ik weet dat dat stom van mij is geweest. Ik stayerde té graag. Bovendien is  Walrave degene die het hele stayersspel beheerst en regelt. Ruzie met hem maken, betekende het einde van mijn carrière’. Een einde die voor op moment negenendertigjarige Minneboo,  tóch kwam.

In 1983 kreeg Minneboo, op zijn verjaardag notabene een telefoontje. ‘ Walrave vertelde mij dat de verhouding tussen hem en mij was verstoord. Hij ging verder rijden met Jan de Nijs, waarna hij direct de telefoon neerlegde. Ik was perplex, was met stomheid geslagen. Dat was mijn dank na tien jaar van samenwerking met hem’.

BvD confronteerde Minneboo dat hij ook aan dat schimmige spel mee gedaan had.  ‘Ik moet tot mijn schaamte toegeven, dat wij aankomende talentvolle stayers helemaal kapot hadden gereden. Jonge renners als een Eric Geserick, Van Tol en Rietveld’. De bij het interview aanwezige vrouw van Gabby,  dring bij hem aan om openheid van zaken te geven hoe het verloop van de stayerskoersen van te voren werden bepaald. ‘Goed’, begint Minneboo, ‘Geserick was te eerlijk, te netjes, hij deed niet mee met ‘het spel’, daarom hadden wij een hekel aan hem. Dat kwam ook door zijn gangmaker Stakenburg. Overigens, Staak heeft door de verhalen van Walrave een heel slechte naam gekregen van een boef te zijn. Maar voor Staak geldt maar één ding: winnen en voor Walrave geldt alleen maar geld.

Huldiging in het Olympisch Stadion 1972. Rechts wereldkampioen amateurstayers Cees Stam, links de als derde geëindigde Minneboo. foto: Nationaal Archief.

‘Kennen jullie het verhaal van die gangmaker die zijn renner dope verstrekte’, vraag Minneboo aan BvD? ‘Ik wel! In 1981 en 1982  heeft Walrave mij nortestosteron gegeven. Ik moest, zo vertelde Walrave mij, om de drie dagen  een spuit nemen van dat spul, dat Bruno mij gaf. Voor ik het nam, las ik eerst de bijsluiter. Van de bijwerkingen herinner ik mij in elk geval nog impotentie, leveraandoeningen  en prostaatkanker. Ik had meteen die zeven spuiten weg gemieterd’.

Dan het wereldkampioenschap stayeren van 1984, met de latere winnaar Jan de Nijs. Volgens de aanwezige Barend en Van Dorp,  had deze héél weinig  met de feitelijkheden te maken, die de betrokkenen na afloop vertelden. De werkelijkheid was héél anders.

De in de stayerswereld als eerlijk bekend staande Mathé Pronk, had een jaar keihard getraind voor dit kampioenschap. Pronk achtte zich in staat om in Barcelona wereldkampioen te worden. Hij was alleen kansloos tegen de geldbedragen van een landgenoot. Pronk werd daardoor gedwongen, voor de zoveelste keer in de rol gemanoeuvreerd van de zich opofferende Nederlander.

Minneboo: ‘Natuurlijk heeft Walrave de titel voor De Nijs gekocht. Normaal had maar één renner kampioen geworden, en dat was Pronk. Je dacht toch niet dat Walrave dat had goed gevonden dat Pronk wereldkampioen was geworden?  Er is bij mijn weten nooit zoveel geld voor een titel geboden. De sponsor van De Nijs had 40.000 gulden daar voor over. Eerst hebben ze in de herkansing de Italiaan De Lillo 2000 gulden betaald, zodat De Nijs probleemloos naar de finale kon. En in de finale zaten ze in de slag met de Duitsers en Pronk. Het zal inmiddels wel duidelijk zijn: geen wereldkampioenschap zonder ‘vuile wind’.

De onthullingen van Minneboo in Vrij Nederland, luidde de ondergang in voor het internationale stayeren. Niet veel later besloot de UCI dit onderdeel van de internationale kalender te halen.

Bron: Vrij Nederland, september 1984, auteurs Frits Barend en Henk van Dorp.

Posted in Geen categorie. Leave a Comment »

Knol

Zomaar, een zondag ergens in 1908, op de Amsterdamse Zeeburgwielerbaan. Een wielerbaantje met een zekere reputatie, waar de politie nooit ver weg was. Het te bekijken programma kende voornamelijk lokale wielerhelden, soms afgewisseld met een verdwaalde Franse, dan wel Duitse stayer. Altijd volle bak. Op de tribunes voornamelijk havenwerkers, en scheepslossers afkomstig van het nabijgelegen Kattenburg, Oostenburg en Wittenburg.

Ruig volk,  die zich vóór de koers, in de omliggende kroegen lieten vollopen. Om in zekere staat de koers van de dag te aanschouwen. Waarbij gehoopt werd op een fijne rel, dan wel een knokpartij. Waar met een zekere regelmaat in werd voorzien.  Matpartijen, in details beschreven in de toenmalige sportbladen, en fijn om te lezen.

Zoals in die ene zomer van 1914 waar een rondtrekkend Amerikaans wildwestshow onder aanvoering van ene Texas Ted, neerstreek in het wielerstadionnetje aan de Zeeburgerdijk. Een rodeoshow die niet voldeed aan de  verwachtingen.  Met bijna fatale gevolgen. Texas Tex en zijn indianen van de prairies, beloofde het publiek op een sensationele wildwestshow.
Tex ging namelijk, op zijn knol,  een race aan tegen een gangmaakmotor. Nadat om vier uur de show nog niet was begonnen brak een ‘ernstig gevecht  los’, zoals de Courant Het Nieuws van den Dag het beschreef.

Nadat Tex,  zittend op z’n paard, eerst  met zijn lasso  de menigte had afgeranseld, trok hij zijn colt. Tex werd vervolgens met stukken hout, afkomstig uit de wielerbaan van zijn paard gerost.  Om daarna bijna te bezwijken onder de trappen en slagen van, zoals de journalist vilein beschrijft, ‘de verwoede wielerliefhebbers’.
IJlings opgetrommelde agenten mét blanke sabels gaven er een extra dimensie aan.

Hoe het op die ene zondag ergens in 1908 aan toe ging…? Aan de foto te zien moet het een sullige bedoeling zijn geweest. Tenminste, niét als het aan de starter had gelegen. Met een broeiende blik loert de man strak in lens van de camera. In zijn hand achteloos z’n revolver, mét gespannen haan, richting publiek, waarvan het te hopen was dat er losse flodders in zaten. Tsja, dat was zomaar een zondag ergens in 1908, die dankzij die ene fotograaf aan de vergetelheid ontrukt.

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1914, diverse jaargangen van Revue der Sporten van voor de Eerste Wereldoorlog.

Usance

Jongens met een kaal hoofd. In  het Italië van de jaren vijftig was je daar mooi klaar mee. Volgens oeroude Roomse mores, duidde dat op dwangmatige masturbatie. Vanaf de preekstoel werden de adolescenten, gegeseld met de mantra, dat je van masturberen, óf ruggenmergtering, dan wel een kale schedel van kreeg. Voor jongens met een dunne haartooi,  ‘n garantie op een levenslang trauma. Zeg nou zelf, wie wil in z’n  dorp doorgaan als  een verstokte rukker?  

Dergelijke jongens, zaten tjokvól met bewijskracht om te bewijzen dat dat niét zo was. Resultaat? Of  de dorpsmeiden  waren niet meer veilig. Of een racefiets werd aangeschaft. Zo’n smal zadeltje, én de nodige lichaamsinspanning doet lekkere lust verdwijnen. Voor de latente kaalhoofd wachtte de koers.

Of dat óók opging voor Fiorenzo Magni…? Met zijn kale schedel was hij anders wel uiterst verdacht. Enfin, de man eenmaal prof, kon akelig hard fietsen. Waarbij tevens geleden werd in het kwadraat. Voor een coureur, dé perfecte combinatie voor de ‘helse koers’.  Magni, in 1948 de Giro d’ Italia gewonnen, trok dan ook ter bedevaart.  En waar anders dan in Vlaanderen met z’n kasseienweggetjes, waar  modder en koeienmest nooit ver weg zijn? Tijdens de rondes van Vlaanderen, editie 1949 en het jaar daarop, hield Magnie ‘huis’.  Twee overwinningen, –  in wat nu, met veel hysterie de Vlaamse Hoogmis wordt genoemd, –  altijd goed voor een plekje in de eeuwige ranglijsten.  

Magni, vond dat nóg niet  genoeg. Voor de editie 1951 had de Witte Wolf, zoals z’n bijnaam luidde, zich perfect geprepareerd. Dat de Wolf door z’n soigneur ‘op scherp’ werd gezet, behoorde tot de usance van de koers in de fifties: waar wij niet al te moeilijk over doen.  Terwijl de meeste van z’n Latijnse collega’s liever in het warme zuiden koersten, zat Magni, een week vóór de Ronde in een hotelletje in Gent. De Wolf verkende meerdere malen het laatste stuk van het parkoers. Wielen met houten velgen, gemonteerd met tubes voorzien van een extra grote luchtkamer, vormden de munitie voor de kasseien.  

Niets saaier dan een koersverloop te beschrijven. Laten we het er maar op houden dat Magni, op de Muur vertrok. In een vliegende storm, met regen en hagel ijlde  de Italiaan richting finish in Wetteren. Waar hij ruim vijfenhalve minuut kon wachten op nummer twee, Bernard Gauthier.

Fiorenzo Magni, die taaie, ouwe rakker, vertrok in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd naar z’n Schepper. Bernard Gauthier, vierennegentig, volgde in 2018.

Bron: Sport Club, jaargang 1951.

Bij elkaar geveegd

Een wedstrijd om des keizers baard. Een pauzenummer, meer niet. Uiteindelijk werd het een race, met garantie op een levenslang trauma. Waarschijnlijk vroeg het publiek daar wél om. Eigen schuld, dikke bult. Want het volk was op komen draven, om  de adrenaline van de tribunes te voelen kolken. Het wérd bloed, ook niet mis.

De wielerkoersen gehouden op de Buffalowielerbaan in  Parijs. Waar de directie het wel een aardig idee  vond om het publiek, tijdens de pauze  te vermaken  met een motorrace. Twee racemotors, meer was niet nodig, vond men. Je moet er toch niet aan denken dat er meer van start waren gegaan…  Enfin, twee racemotoren, bemand door ene Contant en  z’n handlanger Pernette. En die hadden er wel zin in, op die ene dag in augustus 1906. Contant en Pernette, jongens  met soepele polsen, want de gashendel ging meteen open. Tegen de negentig kilometer in het uur. In de bocht wel te verstaan. Probeer dan maar eens zo’n machine in bedwang te houden. Wat ook niet lukte.

Contant, ‘gebroken oogkas’

Eerst even vertellen over de supersnelle Buffalowielerbaan, bekend om z’n steile, hoge bochten. Waar je als motorcoureur, in godsnaam het begrip, ‘middelpunt vliedende kracht’ nooit mocht vergeten. Pernette en Contant deden dat wel.  Het grote drama wat er vervolgens aan kwam, kende  geen inleiding. Het ging namelijk direct mis tijdens de  tweede ronde.

Bij het ingaan van de bocht besloot Contant,  gappie Pernette te passeren. En stuurde daarbij iets te scherp. Waarbij een pedaal van de motor de baan raakte.  Contant sloeg om. Viel van de motor, en verloor daarbij z’n helm. In een snelle reactie stuurde Pernette omhoog. Scheerde daarbij, via de boarding vlak langs de overhangende toeschouwers. Motor en coureur kwamen als een op hol geslagen projectiel  midden in het publiek terecht.

Contant

Twee toeschouwers, met een verbrijzelde schedel kwamen nooit meer thuis. Een tiental anderen,  werden met zwaar hoofdletsel afgevoerd naar het hospitaal.  Contant, inmiddels bij elkaar geveegd, werd met  een zware hoofdwond, én een verbrijzelde oogkas op een brancard geschoven. Pernette verschillende breuken, kwam er niet veel beter van af.

Ach, dat was allemaal klein bier wat racemotorongelukken betreft. In 2019  stond de teller van dodelijke ongelukken tijdens TT van de Isle of Man, op tweehonderdvijftig. Contant en Pernette bedoelde maar…

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1906.

Melkfles

Zomaar, een foto. Waarbij striptekenaars René Goscinny en Albert Uderzo enthousiast hadden geknikt. Om direct  de teken- én schrijfpen pen te pakken, voor een hilarische verhaal. Het is dan ook een foto waarvan het stripboekgehalte van afdruipt. Alles wat een ‘strip’ geestig maakt, zit in daarin.

De foto,  geschoten vlak na een bokspartij, gehouden in de Pelican Boxing Club in het Parijs van 1908. De Pelican Boxing Club, hangplek van  de liefhebber van een eerlijke ram- en rospartij. Ook op die avond ergens in februari 1908, met hoofdpartij Sam mcVea tegen Harry Shearing.   In het voorprogramma, als opwarmertje ene Bill Chester versus Peter Brown, een onbeduidend gevecht.

Het Parijse grauw kwam voor Sam McVea, die grote, imposante,  oersterke zwarte zwaargewicht, afkomstig uit Texas. In de voorafgaande weken had Sam in de verschillende Parijse bokspaleizen, een spoor van verwoesting achter gelaten. Sam was namelijk in vorm. Sam had er wel zin in. Een maand eerder had Sam op dezelfde locatie, Jack Scales in de tweede ronde knock out geslagen.

Harry Shearing

Maar nu  stond Harry Shearing op zijn menu. Harry, parmantig kereltje, puntige snor, met een lijf, zo wit als een volle melkfles, afkomstig uit Walthamstow, een dorp iets ten noordoosten van Londen. Wat in het hoofd van Harry, uren voorafgaande het gevecht rond ging…?   Van zijn palmares kon Harry ook niet veel moraal aan ontlenen. Van de vier voorafgaande gevechten, had Harry er twee gewonnen en evenveel verloren.

Ongetwijfeld had zijn trainer zich de blaren op z’n tong geluld om Harry te overtuigen, dat hij best een kansje maakte tegen die McVea, wat natuurlijk geneuzel was. Alleen al de áánblik van McVea, die de stevige indruk wekte gráág iemand z’n kop er af te slaan, liet de moed in z’n boksschoenen zakken.  Harry’s lot stond vast.  Het was alleen de vraag welke ronde hij neer zou gaan.

Harry’s neergang vond plaats in de vierde ronde, waarin Harry als een zoutzak neerplofte, na  een verwoestende ‘hoek’ van Sam. Het gevecht zat er op. En dan, dan is hét moment van de fotograaf van dienst, die de ring in stapte. Samen met zijn ‘kiekkast’.  Waarvan het scenario vast stond. Winnaar en verliezer, mét supporters op de gevoelige plaat. Centraal, Harry Shearing, zojuist wakker geworden, met slappe knieën ondersteund, de punten uit z’n snor geslagen en een verbijsterde blik dat hij het sowieso overleefd had.

En de winnaar? Ontspannen, met de armen over elkaar, of zojuist een lekker potje sparren er op zat,  liet deze alles over hem heenkomen. Voor  Sam McVea zat het klusje er op.

bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1908.

Leeuwenhart

Joop Kasteel is een legende in de vecht- en krachtsportwereld. Van mollig, gepest jongetje ontwikkelt hij zich tot vice-wereldkampioen armworstelen en uiteindelijk wereldkampioen in het keiharde freefight. Vervolgens bouwt hij een succesvolle loopbaan op, zowel in de sport als in security management.

Dan slaat het noodlot toe. Na een tijd lang kwakkelen met zijn gezondheid krijgt Joop een heftige diagnose: MDS. Een kwaadaardige bloedziekte die, in zijn geval, onontkoombaar leidt tot acute leukemie. Maar in plaats van af te wachten zet hij de knop om en gaat zich fysiek en psychisch voorbereiden op wat misschien zijn laatste gevecht zal worden. Als de levensbedreigende ziekte na tweeënhalf jaar aanvalt, zal Joop Kasteel ‘in de ring van het AMC’ dieper moeten gaan dan hij voor mogelijk had gehouden. En maakt hij, in een gevecht op leven en dood tegen ‘Het Monster’ acute leukemie, zijn bijnaam meer dan ooit waar.

Leeuwenhart is een ontroerend en inspirerend relaas over onmetelijke liefde, een rotsvast geloof en omgaan met ziekte en verlies.’ Door zijn vermogen pijn weg te bijten en tegenslagen te incasseren ‘verdient’ Joop Kasteel tijdens zijn freefightcarrière de bijnaam Leeuwenhart. Als hij aan de zwaarst mogelijke chemo moet en een stamceltransplantatie ondergaat om de levensbedreigende acute leukemie te bestrijden, belandt hij in een emotionele en fysieke rollercoaster.

Over die emoties, en de gebeurtenissen in deze periode, houdt hij een dagboek bij.  Maar Leeuwenhart vertelt ook uitermate boeiend, van binnenuit, over de ogenschijnlijk genadeloos harde vechtsport. Over omgaan met angst en pijn, over gepest worden en het verwerken van minderwaardigheidsgevoelens, ‘werken aan de deur’ en als persoonsbeveiliger.

Omvang : ca. 288 blz. Formaat : 15 x 23 cm, paperback met twee fotokaternen ISBN : 97890 8975 813 2 Prijs : € 22,50.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: