‘Paula nu moet ik sterven’

Copy of appelhanskrugerGangmakers, inventief volk. Grootmeesters van dé ultieme truc. Dat  heimelijk  het gangmakerspak werd opvuld met extra truien,  of soms met een leeg olieblik, was ‘klein bier’.  Enfin, Werner Krüger had dat laatste niet nodig. De man was van zich zelf gevuld. Dikke Werner was de bijnaam. Werner Krüger,  pronte toges, vacuümzuigend op de buddysit,  had ‘abri’, dat was duidelijk. De man kende meer mankementen, want ging hinkepinkend door het leven. Ga ik uitleggen. In 1903 maakte die bolle, met renner Audemars, zijn entree op de wielerbanen. Tijdens de Belle Epoque dus, fijne tijd voor stayerskoersen én publiek. Ook bij de Grote Prijs Hannover. Krüger  met renner Audemars op het programma. Tegenstanders Robl en Dickentman. Werner ging los. Want nam met zijn jongen in volle vaart de bocht.
werner1En vond zich zelf iets later, met een versplinterde enkel, terug tussen de banken van de tribunes. De rokende motor onderin de baan.
Met een voor het leven trekkend been als blijvend souvenir. Ach, wat maakt dat uit, moet de man gedacht hebben. Bedrijfsongelukje. Zolang de polsen waarmee de gashendel werd bediend het maar deed. Voor Krüger dan ook geen beletsel om niet door te gaan.
De man verkocht eerst zijn ziel aan de Amerikanen Nat Butler en Menus Bedell, om later met Stellbrink de grote koersen te gaan winnen als de kampioenschappen van Duitsland én die van Europa. Voor vrolijke passagiers was geen plaats. Zat je bij Werner aan de rol dan kon je aan de bak. Hij perste alles uit zijn renner. ‘Ho’ roepen was er niet bij.  De man had een selectief gehoor. Gaf een dot gas bij. Sterven of winnen. Bij het uitbreken van de Grosse Krieg in 1914 was de corpulente gangmaker er als de kippen  bij om zich aan te melden bij het Keizerlijke Leger. Tussen de loopgraven door tufte hij als motorordonnans rond.
Na de grote nederlaag kaggelde Werner Krüger nog acht jaar als gangmaker rond onder meer met Willy Appelhans. In 1926 was het mooi geweest. Werner Krüger werd directeur van de Breslauer wielerbaan. Eind goed al goed zal je zeggen…
Niet dus. Door economische omstandigheden gedwongen, vroeg Werner vier jaar later weer een gangmakerlicentie aan. ­
wernerkruger4‑  ‘Héhe’, verzucht schrijver dezes, als die ene ouwe temeier die zojuist haar laatste klant de deur uit gewerkt had. ‘We komen waar we zijn moeten, want nu gaat het spannend worden’.  ‑
Dramatiek gloeit aan het firmament. In 1931 staat Werner Krüger met zijn renner Emiel van Tollenbeek op de aanplakbiljetten van de Grote Prijs Keulen. Waar de combinatie Krüger/Tollenbeek  direct ten aanval trok, en renner Schön, getrokken door Gedamke, aanviel.
De laatste bleef tijdens de inhaalmanoeuvre met zijn toeclip haken aan de motor van Krüger. Vier man ten val. Krüger, met gebroken ribben, hersenschudding, én een doorboorde long in het ziekenhuis.  Met de woorden ‘Nu moet ik sterven’, blies hij enige dagen later in de armen van zijn echtgenote Paula de laatste adem uit. Werner Krüger, 53 jaar, was het zesenvijftigste dodelijke slachtoffer van de stayerssport.
Bron: Onder meer Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1931.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: