Momenti

Groots, meeslepend en bombastisch, als een opera van Verdi. Dat is het scenario van een gemiddelde Italiaanse wielerkoers. Met renners als heldentenoren, en onsterfelijk gemaakt door de verhalen in La Gazzetta dello Sport, dé Italiaanse sportkrant met een oplage van meer dan drie miljoen. Dat kon je wel aan het Italiaanse journaille overlaten. Die wisten met een  feilloos gevoel, de snaren van de tifosi ’s te bespelen.

Vooral de Italiaanse koersen in de naoorlogse tijd, waren één grote explosie van euforie in de kolommen van  La Gazetta. Waarbij de ratelende schrijfmachines, als katalysator diende in de tweestrijd tussen Gino Bartali en Fausto Coppi. Bartali, vroom aanhanger van Rome, op handen gedragen door de gelovige bourgeoisie.

Dat Coppi een atheïst, vrijbuiter en vrouwenliefhebber was, en door het linkse deel van de Italianen voor eeuwig in het hart werd gesloten, weten we onderhand wel. Wat voor de krant   redactioneel schipperen werd tussen de twee kampioenen.  

In 1949  gaf dat geen probleem, met Coppi, als de verse winnaar van de Tour de France. Een overwinning door de krant commercieel uitgeperst als een olijf.  Met als resultaat het fotoalbum, Momenti Fotografici del ‘Tour 1949’, – gedrukt in oblongformaat in duizelingwekkende oplages, – met meer dan tweehonderd unieke en inmiddels zeldzame foto’s. Met Il Campionissimo in de hoofdrol.

De boekjes gingen voor  driehonderd lire’s over de toonbank.  In het straatarme naoorlogse Italië een kapitaal. Evengoed waren Coppi-fans bereid, daarvoor een financiële rib uit hun lijf te trekken. Geef het volk brood en spelen en ze klagen niet over maatschappelijke misstanden. Dat hadden de jongens van La Gazetta dello Sport dan ook goed begrepen.

Corona

Zestig kilometer in het uur.  De gangmaakmotor had in het jaar 1901 zijn  opwachting gemaakt.  Een prehistorische machine met een onheilspellend grote benzinetank, gesmeed door de plaatselijke smid, waarvan het te hopen was dat de tank niet lekte.

De  komst van de motor was het sein  voor avonturiers met suïcidale trekjes om daar achteraan te koersen.  Nóg wildere, desperate figuren, namen plaats op de motor. Het stayeren was geboren. Wél opvallend dat de stayerssport direct aansloeg in Duitsland. Opvallend? Niet echt. Volgens de toenmalige Pruisische mores, kon alleen roem behaald worden op het randje van leven en dood.

De vele Duitse schermschooltjes, waar met vlijmscherpe sabels lustig op elkaar werd ingehakt, floreerde als nooit te voren. Waar de stille, onuitgesproken wens, een houw in het gezicht was Een litteken op de bakkes, een pré op erkenning in de Keizerlijke Wehrmacht. Ook  op de wielerbaan kon lustig gestoeid worden met Magere Hein. Met de gangmaakmotor als het vehikel richting kerkhof. Binnen enkele jaren sneuvelden meer dan veertig stayers en gangmakers.  

Thaddy Robl, een beginnende stayer afkomstig uit München maakte zich nog geen zorgen. De man behoorde  tot de wereldtop. Robl, gegangmaakt door de gebroeders Lehman, twee geharnaste cowboys afkomstig uit Berlijn, was de grootverdiener in het stayeren.  Thaddy, koerste op het beste materiaal van z’n tijd. Gesponsord door de Continental-fabrieken, leverancier van banden. Zijn  fietsen werden beschikbaar gesteld door de grootste fietsfabriek van München. Dat het  fietsmerk véél later, een sinistere bijklank kreeg zal Robl ongetwijfeld een rotzorg zijn geweest. Voorlopig werd hij wereldkampioen op een karretje van het fietsmerk Corona.

Legendarische knokpartijen

Verhalen met broers in de hoofdrol.  De gebroeders  Grimm wisten daar wel raad mee. De sprookjes van de broertjes Grimm,  garantie op horror,  waar bij het bloed tussen de alinea’s door sijpelt. Verhalen  met onheilspellende titels als De Roetzwarte Broer van de Duivel, of anders het sprookje, De Twaalf Broers.

Dat laatste, verhaald over een  koning en een koningin met twaalf kinderen. Allemaal zoons.  ‘Als het dertiende kind komt en het is een meisje, dan moeten de twaalf jongens sterven’, zo sprak de koning tegen zijn gemalin. Hij liet vervolgens twaalf doodskisten timmeren…’ Dat soort verhalen dus. Altijd leuk om vóór het slapen, aan de kleintjes voor te lezen.

Met wielrennende broers, liggen de verhalen óók voor het oprapen. Verhalen waarbij psychiaters begrijpend staan te knikken. Story’s met ouders,  balancerend op een dun pedagogisch koord. Prijs je de ene zoon iéts meer de hemel in, dan slaat het monster van de jaloezie toe.

Oóit,  héél lang geleden, om maar in de juiste sprookjessfeer te blijven, maakten twee Amsterdamse broers de amateurkoersen onveilig. Alle twee begenadigde renners, die elkaar hielpen in de koers. Won de één niet, dan was het wél z’n broer.  Totdat de  vader die ene kapitale fout maakte. De man stak de oudste zoon telkens een veer in z’n gat, waarbij de jongste zoon werd overgeslagen. Het startsein voor hommeles. Van samenwerking tijdens de koers was geen sprake meer.

De fietsende broertjes zaten, vooral in de Amsterdamse straatrondjes elkaar dwars. Met legendarische, vechtpartijen, en plein public, na afloop, waar de broers elkaar te lijf gingen. Zestig jaar na dato, wordt in Amsterdamse wielerkringen daar nóg over gesproken. Dat de broers, de rest van hun hele lange leven gebrouilleerd  waren, is ter kennisgeving.

Of het met de Franse broers Magné ook zó aan toe ging is twijfelachtig. Ieder geval niet tijdens de Ronde van Frankrijk 1931. Waar tijdens de elfde etappe Perpignan-Montpellier, Antonin Magne, drager van de gele trui, werd verrast werd door zijn toekijkende broer Pierre, ook op de fiets.  De   hartstochtelijke begroeting van de broers Magne was er één uit het boekje ‘Ware Broederliefde’.  Een sprookje waar de jongens van Grimm nooit opgekomen waren.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1931.

Schurende waanzin

Guignard gegangmaakt door Hoffmann.

Lef, schurend tegen waanzinnigheid aan.  Het was het geld waarmee hij zijn leven in op het spel zette.  Met  ‘eeuwige roem’ als bonus.  Op die ene woensdagmiddag ergens in het september van 1909 raasde  Paul Guignard achter een gangmaakmotor en verbrak de magische grens van de honderd kilometer, afgelegd in een uur. Tientallen aanvallers waren vooraf gegaan. Om vervolgen te  sneuvelen op het veld van eer.

Guignard een klein, somber kijkend kereltje flikte het kunstje wel, en bracht de afstand in één uur naar 102 kilometer en zeshonderddrieëntwintig meter. Een levensgevaarlijke klus.  Op de Europese kerkhoven lagen inmiddels tientallen  doodgevallen stayers.  Guignard achter de derriere van gangmaker Hoffman, die zijn poulain ‘trok’ op een driecilindermotor. Het was dezelfde type motor dat in het vliegtuigje van  Bleriot zat, waarmee hij als eerste mens over Het Kanaal vloog. Honderdtwee kilometer afgelegd op een fietsje, een magisch getal, wat Franse sportbladen vilein deed opmerken dat Guignard sneller was dan de snelste Franse trein.

Paul Guignard, voor de Eerste Wereldoorlog regelmatig  actief op de als levensgevaarlijk bekend staande Duitse wielerbanen, waar de dood nooit ver weg was.  De man mocht daarbij niet klagen over succes, want verdiende meer dan een kwart miljoen Duitse Goudmarken. Geld is maar slijk. Belangrijker was het factor ‘geluk’.  Iets wat zijn gangmakers niet konden zeggen.

Vier van Guignard’s vaste gangmakers  verongelukte dodelijk tijdens het uitoefenen van hun beroep. Beelden van de horrorcrash, tijdens de Grote Prijs van Keulen gehouden in 1913,   gaf  bij Guignard tot op hoge leeftijd een kras op z’n ziel. Hoe hij, wereldkampioen van 1913, aan het vertrek stond van deze Grote Prijs van Keulen. Waar zijn gangmaker Gussie Lawson met zo’n negentig kilometer, een klapband krijgt. Gussie, ten val, en sleurt daarbij stayer Richard Scheuermann gezamenlijk mee de dood in.

Dat Paul Guignard, met die hoge snelheid de kluwen van vallende motoren en stervende mensen wist te ontwijken, valt tot op de dag van vandaag niet uit te leggen. In tegenstelling tot veel van zijn verongelukte collega’s stierf  Paul Guignard op negenentachtigjarige leeftijd tussen de witte lakens.

Bron onder meer: Album der Radwelt jaargangen 1905 tot en met 1914, La Vie au Grand Air jaargang 1909,

dokter Faust

Diep in de  finale van Milaan-San Remo, anno 1954. Waarin Fausto Coppi, als de engel Gabriel vér voor het peloton  uit zwevend,  op weg was naar het altaar van de overwinning. Aan de finish  hét sein voor een collectieve hysterie, waar Latijnen een patent op heeft. Gekkigheid  die geblust werd  door ene  Francis Anastasi, een Frans rennertje  van net eenentwintig jaar. Francis, blanco erelijst had  het lef om de heilige Coppi terug te pakken. Waar de sluwe Rik van Steenbergen handig gebruik van maakte door Milaan-San Remo op z’n naam te schrijven.  Anastasi werd tweede.

Een prestatie die niet genoeg geroemd kon worden. Door het Franse sportblad Miroir-Sprint op de juiste waarde ingeschat. Francis, paginagrote foto op de achterpagina van het blad, werd een glorierijke wielertoekomst voorspeld. Dat niet gebeurde.

Wielertalent in de jaren vijftig. Geblinddoekt balancerend, langs de randen van een vijver vol met piranha’s. Want het waren de soigneurs van  dienst die wel raad wisten met zo’n kereltje. Louche kerels, als dokter Faust die een pact met de duivel gesloten hadden,  met als toverstokje een piquer gevuld met Tonedron, Perfetine, Dexedrine, om maar wat dope te noemen, waar zo’n jongen op scherp mee werd gezet. Een wereld waarin alleen de sterksten overleefden.

Francis Anastasi verkeerde na de finish nog in gelukkige onwetendheid. Francis, tsjokvol adrenaline, kolkend van euforie vertelde aan wie het horen wilde zijn heldenepos. Hoe hij, jongen afkomstig uit Marseille toch maar mooi de aanval van de goddelijke Coppi, gepareerd  had.

Francis’ broertje Jean, links naast hem hoorde dát niet eens. Die keek strak in de lens van de fotocamera van de Miroir. Nog onwetend van de grote publicitaire ‘glorie’ die hem vijf jaar later wachtte. Jean, knecht in dienst van de Margnat-Coupry-formatie, koersend in de Tour de France van 1959, maakte tijdens de vierde etappe Roubaix-Rouen, wat Franse zo mooi noemen een chute.

Jean Anastasi met z’n bebloede harses op de cover le Miroir des Sports zorgde er hoogstpersoonlijk voor dat generaties jongens er niet over peinsde om te gaan koersen.  

Francis, en Jean, bij elkaar zo’n eenendertig koersen gewonnen. In tegenstelling tot veel generatiegenoten tuimelden zij niet in de piranhavijver.  De broertjes, inmiddels hoogbejaard zijn nog steeds onder ons.

Bron: Le Miroir-Sprint jaargang 1954, Le Miroir des Sports jaargang 1959,

Langs het graf

Het gevecht duurde tien ronden. Voor Joe Jeannette zat de klus er dan op. In het uitverkochte Cirque de Paris, in het Parijs van dertig oktober 1909, ramde Jeannette tegenstander Al Kubiak definitief tegen het canvas. Kubiak bleef een minuut bewusteloos liggen. Een minuut die voor Jeannette wel een uur duurde. Jeannette, een angstige blik in de ogen vroeg zich af of het ernstig was met Al Kubiak, een blanke zwaargewicht afkomstig uit Chicago. Voor het Franse sportblad La Vie au Grand Air een rede om Joe op de cover te plaatsen.  
Joe Jeannette, een zwaargewicht afkomstig uit Hoboken, een voorstad van New York was in Parijs hard op weg naar een lokale heldenstatus. Zes maanden eerder in dat zelfde Cirque de Paris danste Joe langs de randen van het graf, tijdens een  gevecht dat de  boksgeschiedenis inging  als de langste bokspartij van de twintigste eeuw. Tegenstander Sam Mc Vea.
De laatste  geboren in het Texas van 1884, beheerste aanvankelijk het gevecht. De eerste achttien ronden waren voor hem. Ronden waarin mcVea zijn tegenstander liefst zevenentwintig keer vol wist te raken. Joe Jeannette, zo’n bokser die beschikte over een hard granieten kop. Want hoe hard de klappen van mcVea aankwamen, Joe bleef gewoon staan. Negenenveertig ronden lang, wat staat voor ruim drieënhalf uur. En na die ronde bleek  Sam mcVea uitgeput te zijn en kwam zijn hoek niet meer uit: Jeannette werd tot winnaar uitgeroepen.
Joe Jeannette, die in zijn vijftienjarige carrière nooit voor een wereldtitel heeft gevochten, stopte op veertigjarige leeftijd, en kon terug kijken op een uiterst geslaagde carrière.
De zoon van een New Yorkse smid had honderdzestig  partijen in zijn vuisten zitten. Honderdzes keer werd hij tot winnaar uitgeroepen waarbij hij, 68 keer, het licht bij  zijn tegenstander uit zag gaan. Cijfers die de grenzen van de verbeelding ver voorbij gaan.
In 1998 werd Joe, postuum, opgenomen  in de International Boxing hall of Fame.
De handen van Jeannette bleken niet alleen van staal te zijn maar er zat ook geen gat in. Na zijn boksloopbaan investeerde hij zijn duur verdiende centjes in een sportschool, een garage, en taxibedrijf. 
Joe, in 1958 overleden, is nog steeds niet vergeten: sinds zijn hemelvaart kent Hoboken, inmiddels Union City genaamd, de Jeannette Street vernoemd naar de prijsvechter die  het langste gevecht ooit, op zijn naam schreef…

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1909, Boxrec.

Waarom ik?

In het zweet des aanschijn zult Gij Uw brood verdienen. Of de man Bijbelvast was, is niet bekend. Wél dat hij af zat te zien in het kwadraat. Het was lijden, mooi van lelijkheid.  In een  decor van slijk, viezigheid, los steenslag, overgoten met regen.
Een modderpad, als een kerf  uitgesneden op de coll d’ Aubisque, die als een puntje in de regenwolken verdwijnt.  De tijden van de sierlijke Colombiaanse klimkoningen, die heupwiegend, trippelend, met zonnebrillen als filmsterren op een hightechfietsje zo’n berg opvlogen, dat kwam in 1932 alleen voor in proefschriften van knotsgekke geleerden. Tijdens de Tour de France 1932, deed André Leducq het noodgedwongen, op een loodzwaar karretje met maar één versnelling.
Leducq, aluminium bidon met koffie, cognac, een paar geklutste eieren en een snuifje coke, oogde als een lijk dat omhoog getakeld werd. Stampend en stumperend over het modderige geitenpad. De blik naar beneden gericht. Omhoog de berg opkijken  gaf suïcidale neigingen. Anders deed het wel het moraal, dat rare wielerbegrip, wegsmelten. De etappe Pau-Luchon met ondermeer de gevreesde Tourmalet én de coll d’ Aubisque,  over 229  kilometer. Waar Leducq,  als niet klimmer urenlang met de Heer zat te praten. ‘Waarom ik Heer’, waar heb ik deze pijn aan verdiend’, flitste het door zijn hoofd? ‘Omdat jij de gele trui moet verdedigen sukkel’,  hoorde Leducq in een trance.
Op het moment dat de Fransman zich afvroeg  of hij écht een antwoord van Hem had gehoord, staat die Antonin Magne, Tourwinnaar van het jaar daarvoor, aan de kant van het pad.  ‘Allé André, je bent bijna boven’, loog Magne al rennend, die al lang blij was dat deze beker dat jaar aan hem voor bij ging.
Enfin, de Heer én de aanmoedigingen van Magne, ten spijt,  André Leducq won evengoed de Tour de France 1932.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1932.

Peter R.

Moord, doodslag, bedrog en dope. Dé ingrediënten voor een goed wielerverhaal. Dat Ottavio Bottecchia in 1924 en een jaar later de Tour won is aardig voor de statistieken. Dat de man bovendien ook nog eens dertig gele truien mee nam naar zijn dorp Friuli, Italië, dat was leuk voor hem. Maar dat Ottavio op een gewelddadige en geheimzinnige manier aan zijn einde kwam, dát bezorgde hem pas een plekje in de eeuwige cultgalerij.
Er gaat geen Tourstart voorbij, zonder dat Ottavio’s dood gememoreerd wordt. Wat geheimzinnigheid betreft, mocht die er wél zijn. Tot op de dag van vandaag is zijn dood nooit opgehelderd. En dat is maar goed ook. Stel je voor dat het een zogenaamde cold case gaat worden. Of nog véél erger, dat die Peter R. de Vries zich er mee gaat bemoeien. Je moet er toch niet aan denken. Deze moord mag namelijk nóóit opgelost worden. Want daarmee beroof je niet alleen een prachtige wielerlegende, maar ook Ottavio’s cultstatus.
Hoe de crimesetting van zijn dood was, dát behoort tot de algemene wielerkennis. En voor degene pas lid van de heilige wielerkerk: in juni 1927, tijdens een trainingstochtje kwam Ottavio niet meer thuis. Niet ver van zijn huis werd de voormalige Tourwinnaar in een wijngaard gevonden, met een ingeslagen schedel. Zijn fiets stond keurig tegen een boom geparkeerd.
Waarmee tot de dag van vandaag de vraag gesteld is wie de dader was. Tevens de aftrap voor de toenmalige complotgekkie’s met hun wilde theorieën. Zo werd Ottavio’s schedel ingeslagen door de fascisten van Mussolini. Ottavio, een vurig socialist wat hij ook liet merken. Ook meldde zich die ene ouwe boer, een streekgenoot van Ottavio. De man lag op sterven, voelde zijn einde naderen.
Hét sein om de pastoor te laten komen. En laat die boer, tijdens z’n biecht de pastoor nou toevertrouwen dat hij Ottavio Bottecchia gedood had. De man, eigenaar van het plaats delict want die wijngaard, had Bottecchia betrapt bij het stelen van druiven, en had vervolgens een steen naar zijn hoofd gegooid…
Dan is het 1973, als het stripalbum Heldenepos van de Ronde van Frankrijk verschijnt, getekend door de gereputeerde Yves Duval. De laatste duidelijk geen wielerkenner, gaf aan het ‘verhaal Ottavio’ zijn eigen draai. Duval, duidelijk een man van het betere horrorgenre liet Bottecchia sterven met een hooivork in z’n borst gestoken. Buitengewoon eng is de cartoon van de biecht. Een pastoor met een gulzige, hongerige blik, die vanuit  het donker spookachtig opduikt. In zijn hand een lichtgevend kruis. Dat gun je geen mens, zelfs een moordenaar niet…

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1925, Foto: Botteccia arriveert als eerste op de col de I’Izoard.

Revolver

Het kon niet mis gaan. Aan alles was gedacht.  Het materiaal waarop gekoerst werd, behoorde tot het meest geavanceerde van die tijd, waar de concurrentie alleen maar van kon dromen. Zoals wielen met uitklapnaven. Een wiel wisselen was een kwestie van enkele seconden. Het gesodemieter met vastzittende vleugelmoeren waar zo’n wiel mee in de vork zat, was voorbij.  Een privésoigneur, ene Biagio Cavanna,  stond tot zijn beschikking. Dat Cavanna, een visueel gehandicapte,  daardoor een  mythische status mee verwierf, was voor hem mooi meegenomen. De man had gewoon mazzel  dat hij één van de meest talentvolle wielrenners ooit, op zijn massagetafel had.
Fausto Coppi, moest dan  ook de Tour de France, anno 1952 winnen. Met minder nam Italië geen genoegen. Coppi’s ploeg was op feodale wijze samengesteld. Dat dát vér ging, was een jaar eerder in diezelfde Tour te merken. Coppi’s knecht, Serafino Biagnioni, greep per ongeluk de gele trui. Van de foto’s, gepubliceerd in de toenmalige Franse sportbladen, bezorgen je nog steeds plaatsvervangende schaamte.
Foto’s van Biagnioni, gehuld in zijn gele trui, die huilend om vergeving smeekte bij zijn kopman, die hem minzaam een hand gaf. Over Coppi, inmiddels een cultheld, is genoeg gepubliceerd. Blijft over de bijzondere foto’s, zoals dié ene geschoten tijdens de zesde etappe Metz-Nancy, een tijdrit over zestig kilometer in die bewuste Tour 1952.
Waarin Il Campionissimo een lekke voorband kreeg. Een lekke band in een tijdrit, een horrorscenario voor een klassementrenner. Ook voor die ene mecanicien, die hoogstwaarschijnlijk tot aan zijn dood, niet alleen een trauma, maar ook nachtmerries aan over hield. Tevens het moment van die ene onbekende fotograaf van Miroir de Sport die daarvan een onvergetelijke foto van maakte. Coppi,  alvast zijn voorwiel uit de vork gehaald, kreeg van uit de materiaalauto gesprongen mecanicien hulp. In plaats van een voorwiel had de mecanicien een achterwiel in z’n hand.
Het moment waarop Fausto Coppi zijn emoties rauw liet gaan. Met een, ‘Geef mij een revolver, dan schiet ik die idioot dood’.   Of dat Latijnse emoties waren of echt gemeend was, is nog steeds de vraag. Enfin, de rest is geschiedenis, Coppi won niet alleen die tijdrit maar ook deze Tour. Hoe de carrière van die mecanicien verlopen was, daar moeten we maar niet aan denken…

Bron: Miroir de Sports, jaargang 1952.

Voor het stripalbum, ‘Heldenepos van de Ronde van Frankrijk’, uitgegeven in 1973, was het wielincident belangrijk genoeg voor een cartoon.

Karkas

Het mes werd in de rug gestoken. Een klassieke broedermoord volgde. Jarenlang  oppermachtig in de Tour, die drie keer werd gewonnen.  De veren waren niet aan te slepen om deze in z’n kont te steken. Met als extraatje, brandschone voeten,  met dank aan al die journalistieke hielenlikkers.
Gewezen uitslagen geven geen schriftelijke garantie voor de toekomst. De jaren gingen tellen. Het herstelvermogen haperde. En vertoon als gewezen kampioen  vooral geen moment van zwakte.  De hyena’s staan klaar. De messen worden direct geslepen.
Louis Bobet moet daar ongetwijfeld aan gedacht hebben. Hij Louis, een kampioen op z’n retour. Een gewezen wereldkampioen op de weg, maar nu de dertig jaar ruimschoots gepasseerd. Tussen de jonge honden van de Tour de France 1958, had de oude Bobet het zwaar.
De opmaat voor zijn naderende ondergang kwam tijdens  de tweede etappe Gent-Duinkerken, voerend langs de genadeloze Vlaamse zeekust. Waar Bobet, hangend als een dood vogeltje aan het wiel van zijn voorganger, de lucht uit zijn tube hoorde sissen. Hét sein voor de coyotes om het karkas van de gewezen kampioen aan te vreten.
Op Louis werd niet gewacht. Knechten keken niet naar hem om. Louis mocht het helemaal alleen uitzoeken. Het was ploeg- en landgenoot Roger Walkowiak die zich zijn lot aantrok. De brave Walko, notabene twee jaar eerder winnaar van de Tour stopte, en deed wat hij moreel gezien wel móest doen: hij stond zijn wiel af aan Bobet, die inmiddels de voorpagina’s van de Franse sportbladen had moeten inruilen voor een foto op pagina 12 van de Miroir de Sprint.
Véél te laat, wat natuurlijk een doortrapte truc was, gaf ploegleider Bidot, renners Stablinsky, Privat en Pipilin de order om Bobet terug te brengen in het peloton. Wat niet lukte. Vijftien minuten na het peloton tikte Louis de finish aan. Het werd tevens zijn allerlaatste Tour.

Bron: Miroir de Sprint 1958.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: