‘Ik heb afgezien als een beest’

Eind maart wordt in Apeldoorn het wereldkampioenschap baanwielrennen gehouden.  Tim Veldt, student aan de Johan Cruijf Academie, maar ook professioneel baanrenner, gaat voor  de regenboogtrui. Aan zijn voorbereiding heeft het niet gelegen. Afgelopen weken werd er warm gereden in de Zesdaagsen van Amsterdam én Rotterdam. En zeg tegen hem nóóit dat Zesdaagsen één grote show is.

Of de Zesdaagse, dat bonte wielerspektakel, één grote show is? Of nog erger, dat het doorgestoken kaart is? Kapot kan hij zich ergeren aan dat soort opmerkingen. Net terug uit de loopgraven van de Rotterdamse six kan hij iedereen mededelen dat hij afgezien had als een beest. Ga er maar aan staan om zes avonden lang, meer dan vijf uur in een walm van frituur, braadworst, dampende nicotine en vers getapt bier, met een angstaanjagend hoge hartslag, op een houten wielerbaantje rond te jakkeren. Slopend vond hij dat. Die koppelkoersen! Met een bloedsmaak in de mond kon hij de vedetten volgen maar meer ook niet. Dat laatste verbaasde Tim Veldt, die, in oktober, ook aan de start stond van de Zesdaagse van Amsterdam, het meest.
‘Die specialisten  rijden een streep harder dan ik’, concludeerde hij twee weken later nog onthutst. ‘Ik heb ongelooflijk afgezien. Het gaat echt loeihard. Wij reden jachten van een uur. Kun je nagaan hoe dat voor de oorlog ging toen koppelkoersen over meer dan twee uur gingen.’ Voordat criticasters zich afvragen wat die Veldt op de Zesdaagse te zoeken had: Veldt is één van de sterkste baanrenners van dit land. Op zijn CV staat een  Europese titel op de kilometer én de omnium, vertegenwoordigde Nederland op de laatste Olympische Spelen en is nu de motor van de nationale baanachtervolgingsploeg. Werd ook nog eens afgelopen december nationaal kampioen op de achtervolging én de kilometer tijdrit. De snelheid zit in Veldts genen. Vader Lau, was een gewezen baankampioen die in zijn carrière tien keer de nationale kampioenstrui aantrok.
Junior, iedere dag trainend op de Apeldoornse wielerbaan, rijdt met enige regelmaat zogenaamde internationale wereldbekerwedstrijden maar is, ondanks dát toch géén Zesdaagsenrenner. Dat is een heel andere stiel. Maar als jonge beroepsrenner die met moeite zijn kacheltje kan laten branden pakt hij alles aan. Als je dan een paar dagen voor Rotterdamse race van de organisatie onverwacht een telefoontje krijgt dat er een startplaats voor je is  dan kom je. Je hebt dan geen pretenties, bent blij dat je mag rijden  en merkt wel wie je koppelmaat is. De laatste was een wrede grap van de organisatie.  Hij, Tim Veldt, 26 jaar, een baanrenner pursang, een flyer, werd gekoppeld aan een heuse kasseienstoemper, zo’n renner waar de vette Vlaamse klei nog onder zijn koersschoenen geplakt zit.  Bobby Traksel, negen maanden geleden nog winnaar van Kuurne-Brussel-Kuurne mocht samen met Veldt de klus klaren.
‘Traksel was een openbaring. Die man heeft als wegrenner veel inhoud. Die blijft rijden. Ik was er voor de snelheid. In de snelle nummers zoals de afvallingskoersen, de zogenaamde vliegende ronde en achter de derny, kon ik mij toch positief laten zien.’
Tim Veldt, heldere oogopslag, bescheiden, tikkeltje verlegen, ziet zo’n  Zesdaagsen  als één grote training, een investering voor het komende wereldkampioen gehouden in Apeldoorn.   Of hij eind maart met die vermaledijde regenboogtrui thuiskomt in ‘zijn’ Rivierenbuurt?  Als er iemand recht op heeft is het Veldt wel. Met zilver en brons, behaald bij de teamsprint, een tijdrace voor drie renners, zat hij, drie jaar geleden, er al akelig dicht bij. Veldt gaat vertellen: ‘Met de sprintploeg zaten wij een aantal jaren aan de wereldtop. Met Teun Mulder, wereldkampioen op de kilometer, en Theo Bos, wereldkampioen op de sprint kon ik aan de bak. Die staande start,’verzucht Veldt. ‘Ik had daar slapeloze nachten van. Bos en Mulder vertrokken als raketten en ik zat direct op twee meter achterstand. Ik moest dat gaatje dichten en vervolgens de sprint afmaken. Evengoed een heel mooie tijd gehad. We waren wereldtop maar helaas nooit kampioen geworden.’
Tim Veldt, op de Olympische Spelen nog uitkomende op de sprint had het na Peking wel bekeken. Het sprinten kon wat hem betrof gestolen worden. Dat nerveuze gedoe en dat allemaal voor twee rondjes fietsen, was niet meer uitdagend genoeg. Hij stapte over naar de achtervolging, omnium en ploegachtervolging. Met succes. Werd als niet favoriet, afgelopen december, nationaal kampioen op de achtervolging. Leuk! Mooi meegenomen. Maar lekkere gevoelens krijgt hij pas bij de achtervolgingsploeg. ‘Het trainen is fascinerend. Zo’n team moet lopen als een Zwitsers uurwerk. Alle radertjes moeten op elkaar afgesteld staan. We streven naar perfectie. De ambitie is om onder de vier minuten te rijden en wie weet de wereldtitel.’
Theo Bos, een gewezen baanadept heeft inmiddels de wielerpiste met redelijk succes ingeruild voor een carrière op de weg waar  publiciteit én het  grote geld te verdienen is. Iets voor Veldt?  ‘Helaas niet,’ verklapt Nederlands snelste achtervolger. ‘Ik heb last van een chronische rugblessure. In een wegkoers kan ik de eerste honderd kilometer goed mee komen. Daarna is het over. Dan krijg ik last van ondragelijke pijnen veroorzaakt door een lage rugwervel. Maar ik klaag toch niet. Als  baanrenner beleef ik een heel gelukkige tijd.’

Gepubliceerd in Mug februari 2011, Foto’s Hilco Koke.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: