Een vriendelijk mens is vertrokken

Drie decennia lang leefde hij in volstrekte anonimiteit.  Edwin Alberto oftewel Fighting Mack was van de radar verdwenen, opgelost in de anonimiteit. Zeven jaar geleden spoorde Stuyfssportverhalen hem op. Het werd een ontmoeting die veel indruk en emoties na liet. Fighting Mack  ooit een van de beste na oorlogse boksers, maar ook een man omgeven door geheimzinnigheid. Mack, zoals hij zelf genoemd wou  worden, was gezegend met een supersnelle en verwoestende linkse, met een erelijst die staat:  vijfenveertig gevechten, achtentwintig keer gewonnen, waaronder twintig door knock out en twee onbeslist. Zijn hoogtepunt vond plaats  in augustus 1968, toen hij als een onbekende tweeëntwintig jarige, in een kolkende Italiaanse sportarena, de toen heersende Europees kampioen  Carmelo Bossi knock out sloeg.

Mack stond daar niet meer bij stil. Het was geweest. In zijn kleine appartementje in Zandvoort herinnerde niets meer aan een roemrijke boksverleden. De enige stoffelijke herinnering is een actiefoto van hem. Die koesterde hij dan ook. Als de foto te voorschijn komt, braken ook de herinneringen bij hem door. Om deze meteen te relativeren.

Of hij in z’n appartementje gelukkig was?  Soms.  Maar ook vaak niet. Hij dacht  veel na over de dood, hoewel hij nog aan het leven hing. Hij gaf zich zelf hooguit nog tien jaar. Maar geloofde dat eigenlijk zelf niet. Het leven is eigenlijk niks, verzuchtte hij even later

Hij leidde een heel rustig, en terug getrokken bestaan.  Iedere morgen een uurtje wandelen over het strand. De rest van de dag keek hij televisie, en ‘deed’ zijn huishouden. Levend van een klein pensioentje en alleen wonend. Hij had geen vrienden, en ook geen contact in de bokswereld. Met vrouwen had nooit geluk gehad, onthulde hij aarzelend. Ooit had de vroegere Europees kampioen vrienden zat. Nu niets meer. De eenzaamheid droop van hem af.

De laatste paar jaar van z’n leven, bracht Mack door in een woonvoorziening-centrum in Bentveld, waar hij vorige week overleed. Fighting Mack, een buitengewoon zachtaardig en vriendelijk mens,  werd zevenenzeventig jaar.

Acht kruisjes en nog topfit

Sensatie! Hij klopte de toenmalige wereldkampioen én grote kanshebber voor de nieuwe wereldtitel. Wie dat was, ‘kopte’ de Franse kranten. Nooit had iemand van hem gehoord. Opeens stond hij er. Deze maand is het precies zestig jaar geleden dat Piet van Heusden wereldkampioen achtervolging werd. Stuyfssportverhalen zocht hem op en kwam terecht in een klein museumpje.

Parijs 1952. Wereldkampioenschap achtervolging, amateurs.  Mino de Rossi, titelverdediger,  had in zijn prijzenkast al een plekje voor een verse  regenboogtrui gereserveerd. De Italiaan was dé grote favoriet. Wat hem betrof was de finale een formaliteit. Met een arrogantie waar Italiaanse renners patent op hebben, plaatste hij een dag voor de eindstrijd handtekeningen op promotiefoto’s met de kreet ‘de nieuwe wereldkampioen 1952’. Mino had er wel trek in, barstte van het zelfvertrouwen. Met zijn tegenstander, een brildragend totáál onbekend ventje uit Amsterdam, had hij snode plannen. Een scenario voor een slachtpartij, – met De Rossi als slager, – lag klaar. Het liep anders. Het werd een opmaat voor een Latijns drama.

Niet de Rossi dé huizenhoge favoriet, maar de totaal onbekende Piet van Heusden, met de snelste tijd door de series gefietst,  kreeg het regenboogshirt aangetrokken. De Rossi droop af op het pad der afgang. Wie die Van Heusden  was, kopten de Franse kranten een dag later. Nooit van gehoord. In Amsterdam wel. Van Heusden’s faam als jachtrijder was al een jaar bekend. Uit het totale  niets was de drieëntwintigjarige Amsterdammer opeens opgedoken. Piet, een voormalig korfballer, die wel eens iets individueels wilde doen, zat pas drie jaar op de koersfiets. Het was dat clubgenoot Jan Mehagnoul, een sparringpartner zocht. Anders was Van Heusden nooit achter zijn jachtcapaciteiten gekomen. Jan Mehagnoul, een Mokumse  achtervolger die een reputatie als hardfietser had op te houden, werd, notabene in zijn Olympisch Stadion, ingehaald door Pietje. Een jaar later werd Van Heusden nationaal kampioen en mocht hij naar het wereldkampioenschap in Parijs.
Hoewel De Telegraaf orakelde dat er een nieuwe Gerrit Schulte was opgestaan, doofde de ster van Piet van Heusden even snel als hij opkwam. Na vier keer op rij de nationale titel ‘opgehaald’ te hebben, borg de  voormalige wereldkampioen in 1958 zijn fiets op en  begon een maatschappelijke carrière bij de Amsterdamse krant  Het Parool waar hij tot zijn pensionering actief was.


Verpatste veel gestopte renners hun materiaal, niet Van Heusden. Al helemáál niet zijn baankarretje. Iets waar zulke prachtige herinneringen aan zit doe je niet weg. Anno nu, is Piet van Heusden, 83, conservator van zijn eigen museum. In een speciale kamer staan de tastbare memorabilia aan een sensationele, maar korte wielerloopbaan. Bekers, oorkondes, bossen met overwinningslinten, ingelijste krantenknipsels, foto’s én  het rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd. In een stofvrije doos verpakt in vloeipapier, zitten zijn kampioenstruien waaronder het regenboogshirt. Een ereplaats heeft natuurlijk Dé Fiets.
Niet één seconde had hij erover gedacht die weg te doen. Een relikwie noemt hij dat zelf.  Hij pakt hem op, en je ziet zijn gedachten terugdwalen naar die ene augustusdag zestig jaar geleden. Een lichtblauwe baanfiets met blokketting, die duidelijk door zijn eigenaar gekoesterd wordt. Een karretje speciaal voor hem gemaakt en gekregen van de Amsterdamse fietsbouwer Aandewiel, vertelt hij aan Stuyfssportverhalen. 

Piet van Heusden, scherpe, afgetrainde bruine benen, topfit, mag dan acht kruisjes achter zijn naam hebben, maar blijft een hardrijder. Om de dag maalt hij zijn kilometers weg. Laat Mino de Rossi, en Jan Mehagnoul, ook allebei in de tachtig, en nog steeds op de fiets, maar komen. 

Afgelopen zaterdag overleed Piet van Heusden. Piet werd 93 jaar. Bovenstaand verhaal werd door Stuyfssportverhalen geschreven in 2012.

Posted in Niet gecategoriseerd. 1 Comment »

Tom Farm

Wil je overleven? Dan zult gij trainen in het zweets des aanschijns, en niet anders. Een levensverzekering voor boksers eind negentiende eeuw: fijne tijd voor de liefhebber van het eerlijke vuistgevecht, door harde kerels, met geschonden koppen. Boksromantiek van een bedenkelijk soort. Illegale partijen, afspelend in rokerige, obscure zaaltjes, bijgelicht door gaslantaarns, en georganiseerd door louche matchmakers, met in de kielzog de onvermijdelijke gokkers. Gevechten waar regelmatig de lokale politie, een eind aan maakt. Locaties waar pastoors, heilsoldaten en dominees, hun ban over uitspreken. Maar ook de plek van ene Tom Thomas, een bokser in de schaduw van de sport.

Woensdagavond 12 november 1902, wordt voor Tom een avond in z’n geheugen geëtst. Tom beleeft zijn profringdebuut. Tegenstander Archie Cook, voor wie de avond eindigt in een knallende koppijn. In de eerste ronde gaat bij Archie het licht uit. Voor Tom Thomas, een boerenzoon uit Wales, zijn eerste knockout zege. Er volgen nog twintig.

Tom, die merkwaardige trainingsmethode op na houd. Eén van z’n sparringpartners is een vechter met maar één been, als je z’n houten poot niet mee rekent. Volgens de Walesman in een interview met het lokale sufferdje the Rhondda Leader, is de éénbenige bokser een gevreesd tegenstander. Sparringpartijen waarbij Tom niet alleen blijkt geeft handig te zijn  met z’n bokshandschoenen. Tijdens één van de trainingen, begeeft de houten poot van z’n sparringpartner het, door Tom met de inhoud van de timmerkist handig opgelost.

Tom Thomas,  bijgenaamd Tom Farm, inmiddels Brits kampioen middengewicht, is volgens dat zelfde the Rondda Leader eerst een gentleman, dan pás bokser. Maar niet op die ene avond ergens in november 1910, in de National Sporting Club in Covent Garden. Waar een gevecht plaats vindt tussen Tom Thomas versus Jim Sullivan, een vuistvechter uit Londen. Tom op puntenachterstand, grijpt naar ongeoorloofde middelen, en slaat Jim ver onder de gordel. Niet alleen gezien door de scheids, maar ook door die ene sportfotograaf.

Tom gediskwalificeerd, heeft na z’n echec nog drie partijen te gaan, waarvan hij niet bewust is. Vier maanden later sterft de Walesman. Wat niet in het harnas gebeurd. Tom Thomas, zevenendertig partijen, waarvan maar drie verloren, blaast z’n laatste adem uit in bed. De man heeft een longontsteking opgelopen.  

Het leven is wreed en betrekkelijk. Ook voor Tom. Een paar maanden eerder krijgt hij de kans om tegen de Amerikaanse wereldkampioen Billy Papke te vechten. Een kans die op het laatste moment niet door gaat, omdat het management van Thomas het door Papke vereiste duizend pond, niet bij elkaar kan krijgen. Tom Thomas wordt eenendertig jaar.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1910, the Rondda Leader jaargang 1911, Boxrec.

Idioterie

Begin twintigste eeuw, de oertijd van de koers, met malle uitdagingen, zoals  recordpogingen om in een etmaal zoveel mogelijk kilometers te verslinden. De afstanden en tijdsduur, passeren daarbij de grenzen van de verbeelding. Een idioterie dat begon eind negentiende eeuw. Op het Parc des Princes in Parijs wist ene Walters in 1898, gegangmaakt door tandems, 1026 kilometer bij elkaar te sprokkelen. Het zal allemaal wel.

Ook op drie augustus 1902, op de  wielerbaan Friedenau, waar de Grote Pijs van Berlijn, – een  zesuurrace  achter motoren, –  wordt verreden. Zes uur lang jakkeren achter zo’n motor. Of dat met die uitlaatgassen  nou zo gezond is? Wat maakte dat nou het volk uit. Die kwam voor de sensatie, om één van die jongens te zien vallen. Enfin, een koers over zes uur, hoe saai is dat.  Na een uurtje is dat wel bekeken. Of het die renners iets kon schelen. Die koersten voor geld.  De eerste prijs bedraagt tweeënhalf duizend goudmark, een kapitaal in die tijd.

En net als je denkt dat deze gekkigheid niet meer van deze tijd is, is daar opeens Maas van Beek, afkomstig uit Barneveld. Eerst even vertellen over Van Beek. Zo’n tien jaar geleden uit het volkomen niets, verpulverde Van Beek het toenmalige uurrecord achter derny’s. Sensatie. Met zijn record geeft  Van Beek vroegere recordhouders als een Rik van Steenbergen, Peter Post, Stan Ockers het nakijken. Of Van Beek erkenning kreeg? Nee. De man wordt door de vaderlandse pers unaniem geboycot. Thijs Zonneveld wielerverslaggever van het AD, doet daar een schepje bovenop, door te stellen dat Van Beek’s record een niche van een niche is. Wat alles zegt over de misplaatste arrogantie van Zonneveld.  

Van z’n record, – een kras in de wielergeschiedenis,-  kan Van Beek de rest van z’n leven van genieten.  Wat niet gebeurd.  De Barnevelder bijna zeventig jaar, blijft maar steeds op zoek naar een nieuwe uitdagingen, en vooral erkenning. Waarom hij dat doet? God mag het weten. Enfin, de geest blijft ondoorgrondelijk, want Van Beek is nu van plan om vierentwintig uur achter een derny te fietsen, voor één of ander record. Waarmee hij z’n reputatie op het spel zet. Want in 1903 raasde Emile Bouhours achter een lichte motor, naar 1312 kilometer en zeshonderd meter.

En wie de Grote Prijs van Berlijn won? Taddy Robl, met als tweede Amsterdammer Piet Dickentman. 

Bron: Album der Raldwelt, jaargang 1903.

Grutter

In de zomer van 1903 lacht het leven hem nog toe. Iedere week valt er wel ergens een goed contract te verzilveren. Alfred Görnemann een kruidenierszoon uit Berlijn wint twaalf koersen, en wordt zeven keer tweede. Tijdens het wereldkampioenschap stayeren gehouden in Kopenhagen, bevestigd hij dat z’n prestaties geen uitschieters zijn. Achter wereldkampioen Piet Dickentman, raast het ventje naar de derde plaats. Voor Alfred rinkelt de geldlade. In het rijtje grootverdieners dat bestaat uit veertig topstayers, staat hij tweede met ruim twaalfduizend goudmark. Een kapitaal dat de Görnemann senior, in zijn grutterszaak, nooit bijeen kan schrapen.

Dan is het elf oktober 1903. Alfred is moe, het seizoen is lang, en koersen achter zo’n zware motor, zijn slopend en zwaar. Maar één koers in Dresden. Nog één keer vlammen. De Honderd Kilometer van Dresden is halverwege. Alfred Görnemann, op de tweede plaats, vuurt gangmaker Willy Wolf aan nog harder te gaan. Zover komt het niet. Op de vochtige baan slipt het achterwiel van de motor weg.

Alfred Görnemann, met verse wonden van eerdere valpartijen, botst tegen de zijkant van de motor, en slaat vervolgens over zijn stuur. Met een gebroken nek én verbrijzelde schedel wordt de kruidenierszoon naar het ziekenhuis afgevoerd. Alfred Görnemann, 26 jaar, sterft enkele uren later.

Bron: Album der Radwelt jaargangen 1902, 1903.

Himmel

Het fotoarchief van deze blog, zit vol met unieke stayersfoto’s, gemaakt tijdens de belle epoque.  Foto’s, –  nooit gepubliceerd,  –  waar niet altijd een ‘verhaal’ aan vast zit, maar té mooi om de bezoekers niet te onthouden.  Zoals onderstaande.

Een ééncilinder gangmaakmotortje, dat hooguit de snelheid van vijftig kilometer wist aan te tikken.  Een onschuldig en schattig aandoend tafereeltje. Wat vervolmaakt wordt door die jongen op dat fietsje, want Arthur Stellbrink, een rakker afkomstig uit de krochten van de Duitse wielerbanen.

Wat die Stellbrink achter dat motortje deed? Trainen op souplesse? Gott im himmel zal het zeggen. Zo rond 1905, koerste Arthur al achter een loodzware gangmaakmotor.  Een licht gangmaakmotortje, waar het begrip veiligheid ver te zoeken is. Om de renner die fijne zuiging te geven, zit de gangmaker ver achter het achterwiel. Om te voorkomen dat het voorwiel, begint te zweven, is boven op de benzinetank een blok ijzer dan wel lood geplaatst, waarbij het te hopen is, dat dat niet losschiet.

En dat bloedlinke fietsje, waarbij Stellbrinks hele gewicht op dat fragiele stuurtje steunt. Dat deze regelmatig afbreekt wordt beschreven in de toenmalige sportbladen, verslagen die lezen als een horrorverhaal. Een wonder dat die jongen van Stellbrink het allemaal overleeft had.

Stellbrink, dertien jaar actief achter zware motoren. Won meer dan honderdachtentwintig koersen en schreef daarbij zo’n kwart miljoen goudmark op zijn bankrekening. 1908 Was zijn beste jaar, waarin hij dertig koersen won, waaronder het prestigieuze Europees kampioenschap, én de Grote Prijs van Duitsland. Voor een wereldtitel was hij een maatje te klein.

Arthur Stellbrink, de bloederige Duitse wielerbanen overleeft, krijgt evengoed z’n portie leed. Tijdens bombardementen op Berlijn in 1943, wordt Arthur Stellbrink zwaargewond. Invalide geraakt, sterft de voormalige stayer op kerstavond 1956, in de armen van z’n vrouw.

Fokker

De lichtinval, maakt de foto tot kunst. Een foto waarop de hoofdpersoon het licht zelve is, waarbij de overige entourage in het schemer, wortel staat te schieten. De fotograaf in kwestie, had zich daarbij overtroffen. Enfin, iedere blinde kip pikt z’n graantje mee.  De man telde sowieso z’n zegeningen, dat hij op de Treptowwielerbaan in Berlijn, de huisfotograaf was. Treptow, een als levensgevaarlijk bekendstaande wielerpiste, waar de onderwerpen voor het oprapen lagen.  Soms letterlijk, als er weer een stayer als een plat geslagen vlieg van de baan werd geschraapt. Op die ene bewuste dag, géén bloedspatten op z’n statief, maar Bruno Demke voor de lens.

Demke, de winnaar van de Grote Prijs van Berlijn.  Geen schokkende overwinning, hooguit goed voor een artikel in de Berlijnse Zeitungs. Een foto, die ook een aardig beeld geeft van de  Duitse samenleving, van vóór de Eerste Wereldoorlog. Een samenleving die zich collectief aan het warmlopen was, voor een oorlog, en wat nog meer moest komen. Behalve de mooie lichtval, ademt de de hele foto een sfeer van Pruisisch militarisme, waarbij Teutoonse koppen, met een blik van, ‘wachten jullie maar af’, je aanstaren. Een foto waar het spreekwoord van Jacob Cats, een diepere betekenis krijgt:  (‘Wanneer een mof is arm en kaal, dan spreekt hij bescheiden taal. Maar komt hij tot een hogere staat, dan doet hij God en mens kwaad’.) Die ouwe Cats toch…

Terug naar de winnaar op de plaat, want Bruno Demke, een redelijk stayer afkomstig uit de krochten van Berlijn. Demke, vanaf 1906 tot 1914 winnaar van zesentachtig koersen, goed voor  tweehonderdduizend goudmark. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was de Berlijnse rolrijder er als de kippen bij, om zich  als piloot bij de Fliegertruppe des Kaiserreich aan te melden. Waarbij hij z’n plekje in het Walhalla veilig stelde, door het IJzeren Kruis eerste klas te verdienen. De man vloog met zijn in brand geschoten vliegtuig, meer dan veertig kilometer over de Engelse linies.
Als zwaargewonde oorlogsheld, werd Demke naar de heimat getransporteerd. Herstelt, steeg hij op  24 augustus 1916 op van  het vliegveld van Döberitz ergens in de buurt van Berlijn.

Tien minuten later, hoog in de lucht, stokte de motor van z’n rode dubbeldeks Fokker. Vliegtuig en piloot sloegen even later te pletter.

Bron: Sport-Album der Radwelts, jaargangen 1906 tot en met 1914. Kriegs-Album der Radwelt jaargang 1916.

Taai hondenleer

Hoeveel marathons hij had gelopen? Hou het maar ergens tussen de twee- en driehonderd, antwoord Simon Pols onverschillig. Voor Pols is hardlopen een manier van leven. Een leven waarvan hij een flinke hap had genomen. Inmiddels zeventig jaar oud, draaft de man nog regelmatig langs s’ herenwegen.  Pols is namelijk der dagen nog láng niet zat, laat staan de marathon. Zijn huidige finishtijd op de marathon is om te huilen, vertelt hij met veel gevoel voor understatement: wat natuurlijk onzin is.  Want om op de leeftijd van negenenzestig jaar, de marathon van Amsterdam te beëindigen in een tijd van net boven de vier uur, kan geriatrisch Nederland een voorbeeld aan nemen.

De tragiek van oude sporters zijn hun verhalen, over hoe het óóit was. Verhalen waarbij het oeroude Indiaanse spreekwoord dat, ‘hoe ouder hij wordt, hoe sneller hij was’, in acht moet worden genomen. Bij Pols niet. Zijn story’s over z’n hardloopcarrière, horen thuis in het betere horrorgenre.  Zoals zijn deelname aan de Spartathlon, een monsterlijke ren over tweehonderdveertig kilometer, in één ruk af te leggen.

De Spartathlon gehouden tussen Athene en Sparta, waar de grenzen van het fysieke vermogen ruimschoots wordt gepasseerd. Een race die zich afspeelt in de twilightzone, met meer dan zeventig procent uitvallers. Pols haalde de finish. Met trainingsweken van meer dan tweehonderd kilometer, stond hij aan de voet van de Acropolis waar de start plaats vond. Na het startschol belandde Pols in ‘n apocalyptische wereld, waar de poorten van de hel wagenwijd open stonden.    

Want na honderdzestig kilometer rennen, doemde de Sangiapas op, een berg van duizend meter hoogte, die in het pikkedonker genomen moest worden. Een weg was er niet, wél onverharde karrensporen, met klauterpartijen over gigantische rotsen, en langs gapende afgronden. Huiveringwekkend en levensgevaarlijk. Om vervolgens dravend, de vlakte van de Peleoponesus over te steken, met een brandende zon op z’n kop. Pols had inmiddels twee lange, en slopende dagen in de zon gerend:  afstanden die de grenzen van het verstandelijke vermogen vér voorbij gaan. Simon Pols, een bescheiden mens, taai als oud hondenleer, haalde in een tijd van zesendertig uur de finish in Sparta.

En dan volgende week zondag, de marathon van Amsterdam. Waar Simon Pols voor de zevenendertigste (37!!) keer aan mee doet. Voor die ouwe Pols een blokkie om…

Kongsi

Ontgoocheling en verbijstering, spat van de foto af. Emoties, veroorzaakt door verraad en bedrog. Zo’n verraad, waar Judas van kon leren, en gepleegd tijdens het wereldkampioenschap, gehouden in het Olympisch Stadion van 1967. De mondiale race, voor amateurs, waar Dries Helsloot als geboren Amsterdammer, dé grote favoriet was. Een illusie die voor Dries uiteen spatte, met dank aan de  gangmakers. Tsja, wat had Helsloot anders verwacht? Dat weet je, als je als renner je ziel verkoopt aan de duivel, gestoken in een leder motorpak. Kortom welkom, in die door- en door verrotte en corrupte stayerij, zoals het ooit was.  

Een wereldje waar niets was, wat het leek. En waar de topvorm van een renner, er niet toe deed.  Een milieu waar de inhoud van een portemonnee, bepalend was voor de einduitslag. Een omgeving  waar alles te koop was. Zelfs een wereldtitel. En die was niet voor Helsloot bestemd. Dries kon nog zo in een topvorm verkeren, maar de heren gangmakers beslisten ‘het spel’, een eufemistische benaming voor bedrog.

De  toenmalige gangmakers, een kongsi volgens de allerbeste maffiatradities. De verhalen dáárover zingen nog in het rond. Ongetwijfeld roepen de gewezen stayers, – die ooit met deze gangmakers reden, – nu om het hardst, dat zij nóóit getuigen waren van deze praktijken. Logisch! Onbewust maakten ze deel uit van het complot. Mede door alle malversaties, werd het stayeren door de UCI van de wereldkampioenschappen verbannen. Wat bijna het doodvonnis van de sport betekende.

En wat die Helsloot betreft, helemaal met lege handen stond hij niet na afloop. Op het erepodium bungelde er een bronzen medaille om z’n nek. Een prijs voor de kat z’n derde oog…

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: