Reageerbuizen

Opeens was  daar die foto van Elmer Collins. Aangetroffen op  een boekenveiling, en waar Stuyfssportverhalen direct een bod op deed. Leuk en aardig, maar aan ‘n foto moet wél een verhaal vast zitten, anders is het maar een nietszeggend plaatje. En dat verhaal is bekend bij deze blog, want opgediept uit zijn archief.  

Elmer dus, vóór de Eerste Wereldoorlog een jonge ambitieuze stayer, afkomstig uit het Amerikaanse Boston. Dat Collins een brandende eerzucht had, was zeker. Elmer had namelijk het plan opgevat, om de beste stayer uit de geschiedenis van Boston te worden, voor zover dat waard was. Daarvoor diende wél eerst met stadsgenoot en collega stayer, Hugh McLaf gerekened te worden. En daar zat nou net de kneep. Althans voor die McLean.

Dat zat zo: Mc Lean een door de wol geverfde renner, die op de Europese wielerbanen zijn kunsten had vertoond. Met drie overwinningen en een handvol ereplaatsen, behaald op de van bloed doordrengte Duitse wielerbanen, was Mc Lean terug gekomen in z’n thuisstad Boston waar hij aankondigde, per direct te stoppen met het bloedlinke stayeren. Het was mooi geweest.

Hugh McLean

McLean een afgestudeerde chemicus, hoopte zijn dagen door te brengen  in z’n laboratorium, waar aan de muur het diploma hing, behorend bij zijn Amerikaanse stayerstitel van 1905. En dan gebeurd er voor McLean iets verontrustend. Tussen de glazen kolven en reageerbuizen, leest Hugh in de Boston Herald een stukje tekst, dat de rest van zijn leven definitief op zijn kop zet. In een één koloms berichtje daagt de jonge  Collins, hem Hugh McLean, uit tot een tweestrijd wie zich de beste stayer van Boston en omstreken mag noemen. 

Dat moest je nou niet doen bij iemand als Hugh McLean, die onmiddellijk de training hervatte. Enfin, Hugh 28 jaar, zal nooit meer zijn laboratorium terugzien. Op 4 september 1909, trainend op de baan van Boston kwam hij ten val en stierf ter plekke. Of Elmer Collins de rest van z’n leven veel last van zijn geweten had, is niet meer na te gaan. Wél dat hij, in 1982, op vijfennegentigjarige zijn laatste adem uitblies.

Bron: Onder meer Album der Radwelt jaargangen 1905 tot en met 1909.

Fixing

De hel zal die dag ongetwijfeld vol zijn geweest, want een normaal mens overleefde  zo’n val niet. Georges Sérès wél. Die bewuste dag in de zomer van 1909, was het geluk mét George.  Zo’n dag dat  niets verkeerd kan gaan. Georges Sérès,  beroepsstayer en  gegangmaakt door Werner Kruger een dikke Duitser, achter wiens pronte kont het goed toeven was. En nee, dit is geen homo-erotisch stukje, maar zo’n verrekte column over die malle stayers uit de oudheid van de sport. Die idioten die vrijwel dagelijks aan de pokertafel van het leven, hun lijf en leden inzetten.

Zoals George. Die tijdens die eerder genoemde  stayerskoers op de wielerbaan van het Parijse Parc des Princes, een klapband kreeg. George stuiterend over het beton, mankeerde vrijwel niets. Wel  gebutst en met een knallende koppijn, werd Krugers poulain van de baan geschraapt, en volgens de heersende mores naar het middenterrein gesleurd.

George Sérès een middelmatige Franse stayer, met op z’n erelijst het Europees kampioenschap, een paar nationale titels en die ene wereldtitel behaald in 1920. Een eeuw later hangt over die wereldtitel een raar luchtje. Eerst even vertellen dat George op de Duitse wielerbanen – waar de jongens van de kerels werden gescheiden –  niet zó vaak in actie was. George schraapte z’n geld bij elkaar, op de talrijke Franse wielerpistes.

Sérès een man met  doorzettingsvermogen, tilde zijn stayercarrière over de Eerste Wereldoorlog heen, om op drieëndertig jarige leeftijd in 1920 onverwacht wereldkampioen te worden. En daar zit nou nét de kneep.  Want als je denkt dat George toch wel wat in z’n mars had, is daar het wielerblad OrgaanRijwiel-en Motor jaargang 1920, uitgegeven door George Hoogenkamp.

In deze jaargang, wordt  Sérès ontmaskerd. Tijdens dat genoemde kampioenschap, zat Georgie in de slag t met gedoodverfd titelfavoriet Victor Linart. Sérès had zijn titel gekocht, en daarmee de gokkers massaal misleid. Tenminste, volgens de ouwe Hoogenkamp, een man met een scherp oog en vileine pen. Hoogenkamp’s achterdocht werd gewekt, toen hij Linart tijdens de koers opzichtig en theatraal naar zijn zij zag grijpen, om vervolgens niet meer aan te dringen naar de eerste plek waar Sérès zich had genesteld. Ach, wat maakt het ook uit. En buiten dat, staat er niet in de bijbel geschreven dat ‘de  stayer die zonder zonde zijt, de eerste steen werpt’? Het is maar dat U dát weet…

Bron: onder mee Orgaan-Rijwiel-en Motor, jaargang 1920, La Vie au Grand Air jaargang 1909.

Franz’ laatste rit

Vandaag, precies vijfennegentig jaar geleden verongelukte Franz Krupkat. Franz,  een oorlogsveteraan die drie jaar vocht aan het Westfront voor de eer van zijn megalomane  keizer, kwam in 1917 met een zware geestelijke tik uit de oorlog. Na zijn oorlogservaringen nam hij het leven dan ook niet meer zó serieus. Franz Krupkat, voor de Grote Oorlog al een verdienstelijk wielrenner, besloot daarom  achter de zware motor te gaan fietsen.  En reed vervolgens honderden koersen op de talrijke Duitse wielerbanen, waar zich wekelijks, levensgevaarlijk zaken afspeelden. Bekijk de oeroude stayersfoto’s en je ziet kerels met strakke, witte, angstige koppen aan de start. Daar tussen in staat Krupkat, ingehouden giechelend en proestend. 

De man had een vreemde kijk op gevaar, maar won tóch in twee seizoen een aantal prestigieuze koersen, waaronder het hoog geachte Preussenmeisterschaft waarbij hij onder meer de oude Piet Dickentman achter zich liet.

Op 2 juni 1927, tijdens een stayerskoers op de wielerbaan van Leipzig, krijgt De Vrolijke in de dertiende kilometer een klapband. Franz Krupkat, 33 jaar zal nooit meer lachen. Even een bizar detail: vlak voor Franz’ dodelijke val, werd de onfortuinlijke stayer samen met zijn gangmaker Walter Gedamke, op de foto gezet (zie hieronder).

Franz, door z’n collega’s Saldow, Walter Gedamke, Graue, Hoffmann en Meinhold naar z’n laatste rustplaats gebracht, waar aan z’n graf de diepbedroefde weduwe met haar vierjarig dochtertje wachtte. De oorlogsveteraan die lachend de dood opzocht, wacht op het kerkhof van de Dorotheenstädtischen Gemeind, in Berlijn, op de jongste dag. Franz, begraven onder een eenvoudige steen met de tekst, ‘Wie door beroep of plicht gestorven is, heeft met zijn dood het eeuwig leven verworven’.
Het eeuwige leven, dat is mooi mee genomen, maar je bent  pas echt dood als je vergeten bent. Wat dat laatste betreft, kan Franz Krupkat  ongestoord verder rusten. In Amsterdam wordt bij deze, zijn herinnering levend gehouden.

Bron: Kriegsalbum Radwelt jaargangen 1914 t/1918, Radwelt jaargangen 1918 t/m 1927.

Geïllustreerde Radren-Sport jaargang 1927.

Knuppel

Appie Donker: ‘Zestig overwinningen’

Kruis een piraat met een struikrover, en je krijgt een wielrenner uit de jaren vijftig. Kerels met anarchistische trekjes, geleid door een ploegleider die ontsnapt was aan de aandacht van justitie. Coureurs, ongewassen en beslijkt die de schrik waren van de rondemiss. Koersende boeven, gehaat door Franse en Italiaanse restauranthouder en kroegbazen. Was de bidon leeg en schroeide de keel? Voor de knechten hét sein om collectief een kroeg binnen te stormen, om de drank voorraad te plunderen. Tot wanhoop en woede van zo’n  kroegbaas, die alles deed om z’n nering te beschermen, want betaald werd er niet.

Appie Donker, weet daar alles van. Appie, meesterknecht van Wim van Est en Wout Wagtmans tijdens de Giro d‘ Italia editie 1957. Tijdens één van die godsgloeiend hete etappes,  hobbelde Appie met die andere Italiaanse gregario’s ook een kroeg binnen, op zoek naar drinken. Wist Appie veel. Vermoedelijk daardoor kreeg hij van de kastelein, als één van de weinige renners, een klap met een knuppel in zijn nek. Die knuppel werd Armando Peverelli bespaard. Armando een modaal knechtje, was dan ook een Italiaan. Enfin, enig chauvinisme kun je die Italianen niet ontzeggen.

Terug naar Appie’s Italiaanse avonturen. Maar eerst even vertellen dat Appie een profrenner was mét een baan. Als renner kon hij niet genoeg verdienen, vandaar. Daarom werkte Appie in de loodgietersbedrijf van z’n pa. Na een hele dag buffelen, kon Appie pas na vier uur trainen. Evengoed had de koersende loodgieter genoeg uitslagen gereden, om door  ploegleider Pellenaars gepaaid te worden voor die bewuste Giro 1957. Appie moest daar over nadenken, want verdiende buiten zijn loon om, lekker bij in de criteriums.

Armando Peverelli

Met de belofte van vijfentwintig gulden per dag, dat hij in de Giro was, werd Appie over gehaald. Vijfentwintig gulden, toendertijd een redelijk loon. Appie had een duidelijke rol, want moest de kopmannen helpen, en meer niet. Door zijn mindere trainingen had Appie erg afgezien. Evengoed eindigde hij vijfenvijftig plaatsen achter winnaar Gastone Nencini.
Appie Donker koerste veertien jaar bij de profs, was daarvoor topamateur en won meer dan zestig koersen. Voor geen geld had hij dat Italiaanse avontuur willen missen, zelfs niet dat ‘geeltje’ per dag, dat hem belooft was door Pellenaars.

Of Appie veel verdiend had in de Giro? De Amsterdammer had uiteindelijk geen cent ontvangen. Appie Donker was de zoveelste renner die door Pellenaars  geflikt werd. En Appie Donker? Die is met zijn tweeënnegentig jaar nog steeds onder ons.

‘Ik bedoel maar…’

Een sneeuwstorm geselt Amsterdam. Sneeuwduinen blokkeren kruispunten, en trams rijden niet meer. Door deze witte hel ploegen mijn broer Kees en ik. Het is een zaterdagmiddag tijdens de winter van 1962. Wij zijn onderweg naar tante Anne, de ongetrouwde zuster van mijn vader, die deze dag jarig is. Moeder is ziek, en wij nemen de honneurs waar.

Ergens in de Pijp, woont tante op drie hoog. In een woninkje volgestouwd met prularia, waaronder uitgekookte dier- en mensenschedels, door tante versierd met opgeplakte kraaltjes, worden wij neer gezet op harde houten keukenstoelen. Vrijwel direct begint tante enge verhalen te vertellen. Tante is in vorm. Tante heeft dagelijks contact met gene zijde, waarbij zij regelmatig hele gesprekken voert tegen een lege stoel, waar volgens haar de in 1903 overleden zusje Betje op zit. Oók beschikt zij over de gave van het woord, compleet met dramatisch gefluister, harde uithalen en de bijbehorende mimiek. ‘Jongens, de hele nacht had die ouwe kerel hier op de deuren lopen rammen’, opent zij de middag. Tante heeft het over haar vader, onze opa, die op dat moment al meer dan tien jaar rust in een graf op de Nieuwe Ooster Begraafplaats.

Wanneer tante merkt dat haar verhalen aanslaan, raakt ze echt op dreef. Staand met blosjes op d’r wangen, en beslagen brillenglazen stort tante een vloed aan horrorverhalen over ons heen. Dan begint de duisternis in te vallen. Tante steekt geen lamp aan. In het schemer loer ik naar m’n broer Kees. Een paar doodsbange ogen kijken terug. Eindelijk, na meer dan drie uur is tante uitgeraasd. Wij mogen gaan. Terwijl wij de trappen afstormen, horen wij tante ons nog een prettige avond naroepen.

Als tante niet bezeten was door de geestenwereld, rollen er andere verhalen over haar lippen. Tante vertelt dan over haar jeugd welke zich voor de Eerste Wereldoorlog afspeelde. Eén van haar successtory’s waar ze meeslepend over verhaalde, was de vlucht van Jan Olieslagers die in zijn tweedekkertje hoog over Amsterdam vloog. Tante was daar ooggetuige van. Tussen duizenden Amsterdammers en bevindend op landgoed Rozenburg aan de Middenweg, zag tante voor het eerst een vliegtuig over komen. Het toestelletje bestuurd door Jan Olieslagers, die tevens een primeur had om als eerste over de stad te vliegen. Wat tante, en al die anderen niét wisten was, dat aan de stuurknuppel een onvervalste adrenalinejunk zat. Het kon Jan namelijk niet gevaarlijk genoeg zijn. Zo was Olieslagers ook actief als gangmaker, op de toen als levensgevaarlijk bekend staande Duitse wielerbanen.

Ook was Jan wel te porren voor een motorrace, gehouden op een wielerbaan. Zoals op het Velo d’ Hiver in het Parijs van 1907. De race tussen Olieslagers, Bussat en Cussac waarbij Jan in de tiende ronde met honderd kilometer, zich bijna te pletter reed. Tot verbazing van het massaal opgekomen publiek,  mankeerde Jan niets. Jan en tante Anne hadden zich al lang geleden aan gene zijde vervoegd. Waar tante ongetwijfeld in haar element is. Want slaat er in m’n huis tijdens nachtelijke uren, niet met regelmaat een deur met een klap dicht? Ik bedoel maar…

Bron: ondermeer La Vie au Grand Air, jaargang 1907.

Scheur

De koersfiets uit de jaren vijftig? Veredelde bokkenkarren, van kleur voorzien door een fantasieloze en hoogstwaarschijnlijk kleurenblinde spuiter. Fietsen waarmee een ouderling op zondag wel gezien mocht worden. Om op zo’n fiets een brug over te komen, laat staan een berg, was een godswonder. Voor er één trap werd gegeven, waren onze naoorlogse renners al in het nadeel. Goddank voor die jongens, was de dope goed. Per slot van rekening moest het moraal hoog gehouden worden, waarbij ze nog maar een paar Perfetinetabletjes extra slikte. De koers kon beginnen.  Wisten ze veel. Het besef kwam met de komst van de geïllustreerde Franse en Italiaanse wielerbladen.

Dat er in Italië een andere koersbeleving was, werd pijnlijk duidelijk bij het zien van de foto’s, in fullcoleur afgedrukt. Latijnse renners met donkerbruine, afgetrainde benen, spierwitte koerssokjes, een scherpe roofvogelblik, én peddelend op hightechfietsjes. La bella Italia op z’n best, waar de racefiets oogt als een mooie, zwoele, meid, want frivool, uitdagend en sexy. En van al dat mooie materiaal was Fausto Coppi hét levende uithangbord.

Ook in 1951, het jaar dat de constructeurs  van de Bianchifabriek helemaal los gingen. Voor Il Campionissimo werd een renpaardje op twee wielen gebouwd, waar als kers op de taart materiaaltovenaar Tullio Campagnolo zijn creativiteit op  los liet. Met als resultaat een korte achtervork, stuurcommandeurs, een versnellingsapparaat én de zogenaamde uitvalnaaf, waarmee een wielwissel ‘n secondespel werd. Coppi op z’n zeegroene Bianchi, op de cover van het Franse sportblad BuddClub van mei 1951. Een iconische plaat maar wél één die ontsiert wordt door die scheur in Coppi’s shirt. En dat in een land waar het soigneren tot kunst was en is verheven.

Coppi, meer dan zestig jaar dood en inmiddels ingehaald door mystiek en romantiek was ook maar een gewone sterveling. Ondanks zijn goddelijke status bij de tifosi, had de man zo z’n eigen makkes.  Zoals een uitpuilende kippenborst, waar de kwaliteit van zijn shirt niet tegen bestand was. Zelfs niet van Italiaanse makelij.

Onkel Adolf

De Steglitzwielerbaan, gesitueerd in het Berlijn van voor de Eerste Wereldoorlog. Met directeur en eigenaar Adolf Knorr, een man die niet onderschat werd. Als manager stonden zo’n beetje alle topstayers bij Knorr onder contract. Met goed betaalde wedstrijdcontracten, zorgde onkel Adolf goed voor zijn jongens, waarbij natuurlijk ook aan z’n eigen portemonnee werd gedacht.

Het stayerscircus van Knorr stond garant voor vertier en sensatie: een succesformule om de meer dan zestig Duitse wielerbanen wekelijks vol te doen stromen. Knorr was ook een man die over weinig scrupules  beschikte, want de wielerbanen waarop zijn stayers hun duels uitvochten, waren niet bepaald veilig.  De pistes waren óf te klein, dan wel té smal. Zoals de Treptowwielerbaan in Berlijn, waar in korte tijd zeven stayers dodelijk verongelukten. Waarschijnlijk dáárom, maar vooral uit zakelijk oogpunt opende Knorr in 1905 de Steglitzbaan in Berlijn.

‘Steglitz’, een piste van vijfhonderd meter lang, twaalf meter breed én hoge bochten, met garantie op razendsnelle, maar daarom bloedlinke stayerskoersen. Vrijwel ieder weekend wisten vijftienduizend toeschouwers dat te waarderen. De kroegen in de omgeving van de baan, waren ook blij met Knorr’s razendsnelle gekkenhuis, want vóór de koers viel het bier niet aan te slepen.  

Ook op zondag 20 mei 1906, hadden de kasteleins weinig te klagen.  In ‘Steglitz’ stond de ‘Goldene Kette mit Stern’, een stayerskoers over honderd kilometer op het programma. Aan het vertrek  de Amerikaan Nat Butler, Peter Gunther uit Keulen, de lokale favoriet Bruno Demke en de Amsterdammer Piet Dickentman. Winnaar werd Dickentman, die de honderd kilometer afraasde in een tijd van een uur en twaalf minuten. Met zijn overwinning verdiende Piet niet alleen de gouden ketting, maar ook tweeduizend goudmark. Dat Dickentman in 1906 een topjaar had, maakte zijn uitslagen- en verdienstelijst wel duidelijk. De Amsterdammer won in Duitsland veertien grote koersen waarbij hij 45.300 goudmark op z’n rekening kon schrijven. (verhaal gaat onder foto verder)

Door een conflict tussen de UCI en  de machtige Duitse manager Knorr, gaf de  laatste een startverbod aan stayers bij hem onder contract, voor het  wereldkampioenschap gehouden in 1910. Knorr organiseerde zijn eigen titelstrijd: het Ober-Weltmeisterschaft, wat andere koek was dan zo’n ordinair wereldkampioenschap. Na de bekendmaking van dit kampioenschap, was de Steglitzwielerbaan  binnen enkele uren uitverkocht. Het werd de meest memorabele stayerskoers ooit. De enige koers zonder onderlinge combines, daarvoor stond er té veel eer op het spel. De honderd kilometer werd ‘rechtuit gereden’. Aan de finish lag namelijk eeuwige roem: hoe betrekkelijk dat ook is.

Dickentman als enige achter de motortandem, een loodzwaar monster bediend door stuurman Steger,en gangmaker Brettschneider.

Na afloop voelden niemand zich bekocht. Daar zorgden acht stayers wel voor, want de absolute top. Vlak voor de start. Terwijl de renners staan opgesteld, omringd door bobo’s, verzorgers en ander wielergepeupel, staan aan de andere kant van de baan de gangmakers, onder meer Werner Krüger, Franz Hofmann, Bauer en Gussy Lawson. Een kwartet dat binnen enkele jaren op de slachtvelden van de stayersbanen, het leven liet. Het was Piet Dickentman die er met de buit van door ging. De Amsterdamse stayer won met voorsprong. Volgens Piet, – die door de Duitse pers zijn hele leven lang als Herr Ober-Weltmeister werd genoemd, – was dat zijn mooiste overwinning uit zijn indrukwekkende loopbaan als stayer, die vijfentwintig jaar duurde.

Bron: Sport-Album der Radwelt jaargang 1906 en 1910.

Dodenmars

Tunis 1934, Young Perez rechts, tegen Panama Al Brown.

De dagen dat Frankie Genare zijn zegeningen telde als wereldkampioen bij de vlieggewichten, waren op de vingers van één hand te tellen. Want niet veel later, stond in het Parijse Palais des Sports z’n uitdager Victor Young Perez op scherp. Young Perez een joodse bokser afkomstig uit Tunis, sloopte met jeugdige overmoed, de eenendertigjarige Amerikaanse titelhouder, die in de tweede ronde knock out ging.

Waarmee Perez, amper twintig jaar, de jongste wereldkampioen uit de boksgeschiedenis werd. Maar dan is het drie jaar én zesenveertig gevechten verder. Niets is zo betrekkelijk als een bokstitel. Ook voor Young Perez die inmiddels van zijn bokstroon was gevallen. De koning is dood, leve de nieuwe heerser. En dat werd Al Brown, een vechter uit Panama, die voor een flinke zak geld bereid was  zijn titel op het spel te zetten. Uitdager Victor Young Perez, rook zijn kans, want had vóór de titelstrijd al een voordeel. De partij vond namelijk plaats in Parc du Belvedere gelegen in het centrum van Tunis, waar Perez’ massaal opgekomen supporters getuigen waren hoe Al Brown de sportieve regels aan z’n boksbroek lapte.

Palais des Sports 1931, met Young Perez als de verse wereldkampioen vlieggewicht.

Met vuile trucjes, werd de lokale favoriet in de tiende ronde knock out geslagen. Verrassend was dat niet. Panama Al had als bokser een bedenkelijke reputatie. Zeven maanden eerder, tijdens een gevecht tegen ene Gustave Humery, werd Brown drie keer door de scheidsrechter gewaarschuwd, voor ongeoorloofde tactieken. De vierde keer dat Al over de schreef ging, liep het uit de klauw. Een woeste en woedende menigte bestormde de ring, en sloegen vervolgens Al Brown bewusteloos,  waarbij de Panamees god mocht danken, dat de politie ingreep. Dat het dol geworden publiek ook de hele locatie verwoeste was ter kennisgeving.  

Voor Victor Young Perez ging het boksleven door. Een dag na de beruchte Kristalnacht stond Perez op het programma voor een partij in de Deutschlandhalle in Berlijn… Wat het voorspel werd, op wat hem enkele jaren later te wachten stond. Young Perez, inmiddels wonend in Frankrijk, werd in 1943 door de Gestapo opgepakt en naar Auschwitz afgevoerd. Waar de voormalige wereldkampioen vlieggewicht, gedwongen als vermaak voor de SS, aan bokswedstrijden mee deed. In anderhalf jaar tijd stond de vroegere champ honderdveertig keer in de ring waarbij hij slechts één partij verloor.

Vlak voordat Russische troepen het vernietigingskamp bevrijdden werd Victor, met de berucht geworden ‘dodenmars’ afgevoerd. Onderweg werd hij dood geschoten. Victor Young Perez werd vierendertig jaar.

Bron: Miroir des Sports jaargang 1934, Les Sports Illustres jaargang 1931, Boxrec.

Baptisten

De Amsterdamse Wielerbaan, begin september 1901. Op het programma de tweestrijd Emile Bouhours versus Piet Dickentman. Een race achter motortandems. Motoren werden aangeduwd. Harde plofgeluiden over de baan. Rillingen in onderbuiken. Natte plekken op houten banken. Voor we verder gaan, eerst even vertellen over die Emile Bouhours, een stayer afkomstig uit Normandië die ongetwijfeld voor een vet contract naar het obscure houten Amsterdamse wielerbaantje was gelokt.

Bouhours, met de trein aangekomen op het Centraal Station. Koffertje in de hand, alsof hij op weg was naar een bijeenkomst van de Zondag Baptisten. De man, voornamelijk actief op de Parijse wielerbanen, maakte in 1903 furore, op de door zo stayers gevreesde en bloedlinke Duitse wielerbanen. In 1903 won de Normandier zeventien grote koersen, wat hem zesentwintigduizend goudmark opleverde.   

Maar dat was twee jaar eerder, want in 1901 was het volk, op komen draven voor Dickentman en die Bouhours. Op de tribunes kreeg men waar voor hun stuivers. Want spektakel in de zesde ronde. De ketting van Bouhours motor vloog er vanaf, en kwam terecht in  het achterwiel. Nadat de stuurman van de wielerbaan was geschraapt, werd er over gestart. Bouhours achter de reservemotor, de geest gekregen, jakkerde ver voor Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, vloog de voorband van z’n motor van de velg.  Dickentman, én zijn gangmakers Adolf Thormann en Jozef Schwarzer, gietijzeren cowboys uit Berlijn, werden gelanceerd.

De catastrofe  was nog niet compleet. In een flits stuurde de stuurman van Bouhours zijn motor omhoog. Ontzetting op de tribune. Ga er maar even aan staan. Alsof een rijdende bom op je afstormt. Stuurman én balustrade werden verpletterd. Piet Dickentman en zijn jongens krimpend van de pijn, werden volgens het Nieuws van den Dag, ‘deerlijk gewond met bloedende wonden aan hoofden, armen, borst en beenen’, afgevoerd richting Wilhelmina Gasthuis. 

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1901, Album der Radwelt jaargang 1903.

Bouhours’ laatste ademstoot

17 Mei 1903, de Grossen Goldener Rad, gehouden op de wielerbaan van Friendenau. Een stayerskoers over honderd kilometer. Aan het vertrek van links naar rechts, Taddy Robl, Emile Bouhours, Fritz Ryser, Jimmy Michaels en Alfred Gornemann.  Dat Taddy Robl won, en daarmee tweeduizend goudmark mee opstreek is leuk voor de cijfertjesfreaks onder ons.

Aardig’ is, dat een paar jaar nadat de fotograaf afdrukte, Robl, Michaels, én Gornemann dodelijk verongelukten. Dan is er ook nog Fritz Ryser, die als stayer diverse keren wonderbaarlijk ontsnapte aan gruwelijke ongelukken, waaronder de catastrofe op de wielerbaan van de Botanische Garden in Berlijn waarbij negen toeschouwers nooit meer levend thuis kwamen. De daardoor zwaarmoedige en depressieve Fritz, besloot in 1916 vrijwillig uit het leven te stappen. Emile Bouhours, blies zijn laatste adem uit op drieëntachtig jarige leeftijd…

‘Wij Spartanen’

Wat hebben Nico Dijkshoorn, Michel van Egmond, Sjoerd Mossou, Vincent Bijlo, Willem Vissers en Özcan Akyol met elkaar gemeen? Het antwoord is simpel: hun liefde voor het voetbal. Aan de hand van hun verhalen en het verhaal van de club waar hij zelf aan is verslingerd gaat de Rotterdamse journalist Anton Slotboom in het boek Wij, Spartanen op zoek naar het hoe en waarom van het wonderlijke fenomeen clubliefde. Toen de stadions vorig jaar in coronatijd sloten raakte Slotboom, Sparta-aanhanger in hart en ziel, meer en meer gefascineerd door het fenomeen clubliefde. Opeens mochten supporters er niet meer bij zijn. Maar wat misten zij dan? En wat was hun liefde voor clubs en de sport dan opeens nog waard? Was het eigenlijk wel gezond dat zij met z’n allen zo opgaan in een spelletje waar ze helemaal geen invloed op hebben? Anton besloot op onderzoek uit te gaan met als centrale vraag: Wat bezielt de voetbalfan? Wij, Spartanen is een verslag van de zoektocht naar de antwoorden.

Anton Slotboom dook in de levens van fans, oud-spelers, trainers, clubiconen. Hij vroeg de eerdergenoemde en andere prominenten het hemd van het lijf en klopte zelfs aan bij hoogleraren, filosofen en historici. Ook dook hij in zijn eigen supportersleven en in de vele eerdere verhalen die hij over voetbal en Sparta schreef. In dit boek komt Slotboom tot een opvallende conclusie. Fanatieke liefhebbers worden weleens voor gek verklaard. Maar supporter van een club zijn – hoe vaak het ook tegenzit – heeft juist iets wonderschoons. Dat blijkt tot zijn verbazing zelfs uit medisch onderzoek.

Formaat: 13,5 x 21 cm, paperback Omvang: ca. 256 pagina’s, incl. fotokatern ISBN: 97890 8975 674 9 Prijs: € 21,99

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: