Overlever

Dan was er ook nog Willy Hesslich, man van vele veldslagen.  Een veteraan, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als Feldwebel, vocht voor zijn kaiser und vaterland. Willy, voor hij zijn plekje in de loopgraven innam, eerst gehard als gangmaker op de Duitse wielerbanen, waar de dood nooit ver weg was. Tientallen stayers  en gangmakers waren óf verongelukt, dan wel voor het leven getormenteerd.
Hesslich, overleefde de bloedlinke wielerbanen maar kwam ook ongeschonden van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Willy, sinds 1905 gangmaker, leidde twee jaar nadien  Kurt Rosenlöcher naar drieëndertig overwinningen. Een getal dat niet genoeg geroemd kan worden.  Hesslich, afkomstig uit Dresden, maakte van een ‘halve stayer’ een hele. Albert Schipke, een stayer van nét niet, zal zijn gangmaker altijd dankbaar zijn.  Willy voerde Albert in 1911 naar het Meisterschaft von Preusen.
Die ouwe Duitse gangmaker  kon je niets meer wijs maken. De man had zó vaak de dood recht in diens muil geloerd. Ook op de Rijswijkse wielerbaan van 27e mei 1923. Stayerskoers  over twee manches, waar Hesslich  samen met z’n renner Rosellen waren gecontracteerd.
Of Willy voor de start bang was? Hooguit maakte hij zich zorgen om de kwaliteit van z’n motor. De economie van Duitsland lag op z’n kont. Geldontwaarding. De Republiek van Weimar. Straatgevechten tussen communisten en ‘Freikorpsen.’
Niets meer te verkrijgen. Laat staan nieuwe banden voor z’n gangmaakmotor. En dat laatste kostte Willy letterlijk z’n kop. Bijna.
Willy Hesslich, man met een engel op z’n Teutoonse schouders. Tijdens de tweede manche  op volle snelheid sprong de achterband van z’n motor stuk. Willy, gevallen met zijn renner, en liggend onder de zware motor, stortte omlaag. Met een zware schedelbreuk werd Willy Hesslich afgevoerd richting ziekenhuis.
Waar hij niet de eerste gangmaker was die in dat gasthuis werd verwelkomt. Tijdens de eerste manche ontplofte ook de achterband van collega-gangmaker Claus Nachtmann. Claus, samen met renner  Thomas, stuiterden over het hout van de wielerbaan. Waar Nachtmann en Thomas, bloedend uit vele wonden, vanaf werden geschraapt.
Dat was zomaar een fijn dagje stayeren op de Rijswijkse Wielerbaan. En voor ik het vergeet: Willy Hesslich overleefde z’n zware val. Je bent een overlever of niet.

Bron: Sport-Album der Rad-Welt jaargang 1922, De Tribune, krant van Sociaal-Democratische Partij.

Grandeur

Geen rangen en vooral geen standen. De Tour de France is voor het volk. Ook  die van 1960, wat tevens een mooi jaar was. In Frankrijk wel te verstaan. De Franse Republiek, aangevoerd door monsieur le president De Gaulle, bij wie enig nationalisme niet vreemd was. ‘Frankrijk kan Frankrijk niet zijn, zonder zijn grandeur’, was één van zijn uitspraken. Dat was wáár.
Want opeens was daar Brigitte Bardot, ontworsteld aan de benauwende jaren vijftig en zojuist de sixties binnen gehuppeld. Bardot,  een frivole, sexy stoeipoes, met als bijnaam BB, waar hele generaties  potente  jongens, ontsnapt aan de aandacht van ouders én mijnheer pastoor, met overdreven ijver haar afbeelding aan de muur van hun jongenskamer prikte. Garantie voor  woeste fantasieën. Wat er vervolgens in die jongensbedden gebeurde moeten we maar niet aan denken.
Frankrijk 1960,  waar de leden  van terreurorganisatie  OAS, voor het eerst het handboek ‘Hoe knutsel ik een plasticbom in elkaar’, ter hand namen:  beoogde doel,  president Charles de Gaulle. De jongens van de OAS, duidelijk aanleg voor het helse, brachten een jaar  later hun geleerde in de praktijk. In september 1961 ontplofte in een wegberm een dertig kilo zware bom, gevuld met vijftien liter napalm. Waaraan De Gaulle, in zijn Citroën wonderlijk en ongedeerd aan ontsnapte.
In dat geharnaste lijf van monsieur le President, een gewezen oorlogsheld, bleek ook maar een gewoon jochie schuil te gaan. Dat hij Brigitte aan de muur van z’n slaapkamer  had hangen is onwaarschijnlijk. Wél  dat hij via de media de Tour volgde. Zaterdag 23 juli 1960, had hij in zijn agenda met rood omcirkeld. Op deze door God aan de president geschonken dag, trok de Tourcaravaan door zijn dorpje Clombey-Les-Deux-Eglises, en langs het huis van Frankrijks eerste burger.
‘De Tour is genadeloos en wacht op niemand’, wat een stoffig, maar waar cliché is.   Laat staan dat er zomaar gestopt wordt. Behalve voor de eerste man van de Vijfde Republiek. De Gaulle tussen het volk, en beschermd door twee gendarmerie nationale, die je onbewust aan films van Inspector Clouseau doen denken, audiëntie verlenend aan de renners. Waarvan sommigen, uit misplaatste eerbied hun koerspetje voor af deden, door De Gaulle duidelijk gewaardeerd. Met een Vive La France  zegende hij vervolgens het koersende volk.
Met enige fantasie is Charles De Gaulle met een geharde Tourrenner te vergelijken. De man overleefde maar liefst eenendertig moordaanslagen. Probeer dát maar eens te evenaren.  De Gaulle stierf uiteindelijk, zittend in zijn lievelingsstoel op tachtig jarige leeftijd. 

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1960, Biografie Charles de Gaulle.

Charlatanmusea

Het  Museum van de Sport, Olympics Experience, Huis van de Wielersport, en het  Nationaal Voetbalmuseum had een gezamenlijke overeenkomst, want  sportmusea die bij voorbaat al gedoemd waren  te mislukken. Hoewel de initiatiefnemers  vooraf deden geloven dat het volk op z’n museum met smart zat te wachten, gingen deze binnen de kortste tijd failliet.
Voor het nationale sporterfgoed, is totaal géén publieke belangstelling. Ging de opening van zo’n museum gepaard met toeters en bellen, anders is de sluiting. Dat gebeurde op een stiekeme, achterbakse manier. Waarbij de geschonken sportmemorabilia in duistere kanalen verdween, onder meer op  Marktplaats. Of, nog véél erger, het werd zielloos in de vuilcontainer  gesmeten. Met positieve uitzondering van het Olympics Experience, die hun sluiting netjes afwerkte, gingen de bovengenoemde musea collectief in de fout.
Gulle gevers,  – gepaaid door gladde praatjes van zo’n initiatiefnemer, –   die voor hen vaak emotionele spullen van pa of opa hadden geschonken, hadden het nakijken. Of ze konden  voor veel geld op Marktplaats hun eigendom terug zien te kopen, zoals het voormalig Olympisch kampioen Jan Wienese ooit overkwam.  Deze site had in het verleden daar eerder aandacht aan besteed (zie; ‘Er kwam geen hond kijken.’)
Als je denkt dat uit dergelijke echecs  lering uitgetrokken is, is daar opeens het Nationale Voetbalmuseum, dieonlangs, na een aantal kommervolle jaren de deur sloot. En zoals het inmiddels bij dat soort  malafide musea  gaat,  verdwenen ook de historische, en in goed vertrouwen geschonken voetbalobjecten spoorloos. Tenminste als je niet op Marktplaats of Catawiki regelmatig kijkt. Want daar duiken ze op. Voor veel geld.
Zoals het shirt van Marco van Basten, gedragen tijdens de gewonnen finale van het Europees kampioenschap in 1988. In goed vertrouwen geschonken door Marco en voor een hoop geld verpatst op Marktplaats.  Wat de vraag oppert of het niet de hoogste tijd wordt om de wetgeving voor dat soort charlatanmusea, aan te passen?

Wie geeft het verlossende antwoord

Voor het gezin blijft het één grote ramp. Een schrijnende, open wond, die pas dicht gaat als er duidelijkheid is. De spoorloze verdwijning van Kenneth Hart heeft bij zijn familie diepe sporen nagelaten. Dagelijks vragen zijn moeder en drie zusjes zich af   wat er moet hun zoon en broer is gebeurd. Kenneth Hart, ooit een talentvolle jonge bokser verdween bijna dertig jaar geleden spoorloos.

Een maand voor de  verdwijning van Kenneth zag Jennifer Hart haar broertje voor het laatst. Jennifer herinnert zich die ontmoeting nog goed. Ook de herinneringen aan zijn bokscarrière zijn niet meer uit haar geheugen te verdrijven.  Jennifer vertelt hoe het hele gezin mee ging als Kenneth een wedstrijd had. Voor Jennifer, Daniella, en Audrey, de zusjes van Kenneth, waren die gevechten nogal saai. De wedstrijden van Kenneth waren dan ook, binnen één ronde afgelopen, verteld ze lachend. Kenneth’s tegenstander lag dan op het canvas zich vertwijfeld af te vragen of hij wel de juiste sport had gekozen.
Voor Kenneth was het boksen zijn leven. Daar deed hij alles voor. Met succes. Als jonge, zeer talentvolle pugilist vertrok hij voor maanden naar Los Angeles, voor een trainingskamp bij een zeer gerespecteerde gym.  Trainen werd afgewisseld met wedstrijden. Tijdens de Golden Gloves van Zuid-Californië maakte Kenneth diepe indruk door deze te winnen. En als de poorten van het  boksparadijs  zich openen,  slaat het noodlot toe. Een oogblessure! Met grote kans op blindheid ten gevolge.  Wat het begin werd van alle ellende. 
Kenneth Hart moet noodgedwongen stoppen met zijn passie. Zijn wereld stortte in. Depressies volgde.  Waarschijnlijk door dat laatste  kon het hem allemaal niet zo  veel meer schelen.  Kenneth, de ooit zo gedreven sportman  dreef naar de zelfkant van het leven, en begon niet veel later als uitsmijter op het Rembrandtsplein.
Volgens Jennifer begon dáár de ellende. Want van het één komt het ander. Het hoe en wat? Dat weet ze niet. Wél dat haar broertje op een dag spoorloos was verdwenen. Dat hij de verkeerde mensen was tegengekomen is nu wel zéker. Zijn verdwijning was voor de familie het begin van een tientallen jaren durende levende hel. Niemand kon uitsluitsel geven wat er gebeurd was.
Kenneth’s oma Paulina, waar de kinderen Hart zijn groot geworden, zijn moeder én  zusjes lieten het er niet bij zitten. Het gezin begon een jarenlange speurtocht naar Kenneth. Overal werd gezocht en vragen  gesteld, vragen wat er met Kenneth is gebeurd. Jennifer omschrijft het verdriet van haar oma  en moeder als immens. Moeder Hart bleef voor haar jongen knokken en schreef tientallen brieven naar de Telegraaf en andere media om de zaak onder hun aandacht te houden.
Op de vraag wat de Amsterdamse politie deed, is Jennifer nogal verbitterd, namelijk helemaal niets! De politie heeft nooit contact met de familie opgenomen. Inmiddels ligt de ‘de zaak Kenneth Hart’ op een plank in het hoofdbureau te verstoffen.
De kelk met ellende was voor het gezin Hart nog lang niet leeg. Er volgde nóg een diepe tragedie. Jaren na Kenneth’s mysterieuze verdwijning wordt zijn broertje Franklyn op straat neergeschoten. Franklyn, ernstig gewond afgevoerd naar het ziekenhuis waar hij niet veel later overleed. Hoe erg ook, dat heeft dat bij de familie Hart inmiddels zijn plaatsje gekregen.
Anders is het met Kenneth waar de familie nog steeds met vragen worstelt. Vragen en onzekerheid die opgelost kan worden als iemand zich meldt met het verlossende antwoord.

Von Werlhof

De geografie van zo’n foto lag vast, want vier stayers naast elkaar opgesteld. Strak in de lens kijkend, omringd door onbestemde kerels. Op de volle tribunes het grauw. Vergeelde foto’s, meer dan een eeuw oud,  die nog steeds beklijven. Een tijdsbeeld. Verstild en gevangen op een gevoelige plaat. Wat dergelijke foto’s zo fascinerend maakt is het lugubere aspect. Anno nu weet je de geschiedenis van die afgebeelde jongens.
Twee van de vier, nog in zalige onwetendheid, verongelukte niet veel later. Guignard, Piet Dickentman, Bruno Demke en Robl, van links naar rechts, klaar voor de Goldenen Rad von Steglitz, verreden op de gelijknamige baan in Berlijn.
Een stayerskoers zoals in het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog  er honderden waren. Waarvan alleen de uitslagen nog terug te vinden zijn in  de  jaarboeken van het Sport-Album der Radwelt,  indertijd uitgegeven door Fredy Budzinsky en gedrukt bij Buchdruckerei Strauss in de Berlijnse Lindenstrasse 16.
Pagina’s vol uitslagen, staatjes met de verdiensten van de renners, het aantal verreden koersen, maar ook welke ausländische renners actief waren op de Duitse banen,  en ga maar door. Met Pruisische mores, pijnlijk nauwkeurig door ene Max von Werlhof opgeschreven. Een feestje voor de   statisticiliefhebber. Maar een nachtmerrie voor die ene Berlijnse letterzetter…
Volgens Von Werlhof was er tijdens de Goldenen Rad, 6800 goudmark te verdelen voor de renners. Ook dat  de honderd kilometer werd afgeraasd in een tijd van 1 uur en twaalf minuten. Winnaar werd  Guignard,  die  tweeduizend goudmark én een gouden medaille mocht afhalen.
Wat Von Werlhof nou niét wist was, dat Robl tijdens een vliegtochtje gehouden  in 1910 hoog boven Berlijn neerstortte. Bruno Demke, tijdens de Eerste Wereldoorlog piloot bij de Kaserliche Luftwaffe   en in augustus 1916, zittend in z’n Fokker hoog boven Berlijn, hoorde plotseling de motor van z’n jachtvliegtuig stoppen. Bruno werd 36 jaar.

Bron: Sport-Album der Radwelt jaargang 1907.

Duizelingwekkend

Zeven seizoenen verdedigde hij het doel van Ajax. Om in 1958 te vertrekken naar Feyenoord. En geen Ajaxsupporter die daar wakker van lag. Laat staan dat er rellen  waren uitgebroken. In de koffiehuizen  van Amsterdam-Oost werd daar de schouders over opgehaald. Het zal ze een rotzorg geweest zijn. Hooguit werd geschamperd over het absurde hoge bedrag dat Feyenoord had overgemaakt aan de penningmeester van Ajax.
Voor Eddy Pieters Graafland werd maar liefst 134.000 gulden voor neergelegd, een recordbedrag in die tijd. Duizelingwekkend genoeg om voor het toenmalige sportmagazine Sportief de cover daar mee te openen. Terzijde: keeper  André Onana staat momenteel in de etalage voor dertig miljoen euro.
Ajax, en alle toffe jongens uit Amsterdam-Oost maakte zich geen moment druk over diens vertrek. Voor de plek ‘Pieters Graafland’ stond het talent  Jan van Drecht te trappelen. Van Drecht, toen zesentwintig jaar hield het doel van Ajax redelijk schoon. Tot 1959. Om nu nóg onbegrijpelijke redenen werd Van Drecht vervangen door Bertus Hoogerman.
Van de laatste had schrijver dezes een jeugdtrauma overgehouden. Even uitleggen: als supportertje aanwezig bij Feyenoord-Ajax in de kuip van 1963. Waar Hoogerman, als een bijziende accordeonspeler de ene bal na de ander doorliet. Om te eindigen bij 9-3 voor Feyenoord. Tsja, dan Pieters Graafland…
De tijdens zijn leven al legendarische Eddy Pieter Graafland, uitgegroeid tot de drie beste keepers van de vorige eeuw,  en volgens vele een uiterst beminnelijk mens, is vandaag vertrokken naar de Grote Voetbalhemel. Pieters Graafland werd 86 jaar.

Kiezelsteentje

Het werelduurrecord achter de zware motor. Wat meer een kwestie van  lef dan atletisch vermogen was. Dat laatste ging niet hélemaal op voor  Leon Vanderstuyft. De man werd in 1922 wereldkampioen bij de profstayers.   
Vanderstuyft,  tijdens de Eerste Wereldoorlog asielzoeker  in ons land, waar hij niet zijn hand ophield.  Als beroepsstayer verdiende Leon zijn guldens. Ook op de Amsterdamse wielerbaan Zeeburg. Tijdens de  zomer van 1915 was hij het middelpunt  van een rel. Vanderstuyft, gecontracteerd voor een koers met twee renners, en  gehouden over drie manches. Tegenstander Jan van Gendt, die bonje kreeg met de Vlaming. Tijdens het passeren, op volle snelheid sneed Van Gendt Leon, wat een potentiële moordaanslag was.
Vanderstuyft valt, en schuift meters over het Zeeburgse hout. Wat bij Leon’s  gangmaker  de stoppen deed doorslaan.  Op zijn zware Brennabormotor gaat hij achter Van Gendt aan, en probeert deze tot twee keer toe aan te rijden. Terwijl het publiek nog fijn zat na te sidderen, agenten en juryleden de dolgedraaide gangmaker  in bedwang hielden, zat de aanwezige journalist van De Telegraaf ijverig te noteren.
Volgens de allerbeste Telegraafmores, gaf de krant een dag later de buitenlander de schuld. ‘De Belgische sinjeur, die blijkbaar de gastvrijheid, welke hij hier geniet, niet naar waarde weet te schatten. Om van het publiek maar niet te spreken.’
Dertien jaar later, in 1928 zal Vanderstuyft dat incident vast vergeten zijn. De man, opdat moment de vier kruisjes bijna aantikkend, was niet van plan zijn carrière geruisloos af te sluiten. En dat kon maar op één manier: het werelduurrecord achter de gangmaakmotor. Een dubieus record waarvoor in 1902 Tom Linton de aftrap gaf. Tom, gegangmaakt door Marius Thé, liet na een uur de kilometerteller op 68.410 meter staan. Een jaar later verbroken door Paul Dangla, die de afstand van 71.660 meter achter zijn naam mocht noteren. Waarmee de bloedhonden uit hun kennels los braken.
De snelheidsobsessie  nam een aanvang. Tussen 1903 en 1928 werd het record meer dan vijfentwintig keer verbroken. Tot die ene opmerkelijke dag op 29 september 1928. Een dag waarop Leon vanderstuyft orde op zaken ging stellen.
Op het Autodrome van Montihéry gelegen bij Parijs, achter de kont van gangmaker Lehmann,  raasde Leon naar het duizelingwekkende snelheid van 122.771 meter. Een snelheid waarbij  de nodige lef aan te pas kwam. Op een monsterachtig zware versnelling, op luttele centimeters achter een motor die nou niet bekend stond om z’n veiligheid, én met dergelijke snelheden. Slecht een lullig scherp kiezelsteentje was nodig… Enfin, wil je eeuwige roem behalen moet je iets over hebben. Leon Vanderstuyft had dat. Zijn record staat nog steeds in de boeken.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1928, Revue der Sporten jaargang 1915.

Gaat ongetwijfeld goed komen

Afgelopen januari tekende Enzo Leijnse  18 jaar, een contract bij de prestigieuze opleidingsploeg van  Sunweb. Een jongensdroom kwam uit. De scouts van Sunweb,  een scherp oog voor talent, zien in hem een ongeslepen diamant. Met dank aan de snoeiharde tijdrit die Leijnse in de benen heeft. Zijn optreden tijdens het Europees- én wereldkampioenschap, vorig jaar, zorgde voor de nodige sensatie. Bij de strijd om de wereldtitel tijdrijden, had hij heel lang zicht op de wereldtitel.  Om met een paar seconden verschil, uiteindelijk met de zilveren medaille naar huis te gaan.
Enzo Leijnse, sinds het vroege voorjaar intern in Limburg, waar hij samen met zijn ploeggenoten wordt voorbereid op het komende wegseizoen. Voor tijdrijder Leijnse is een speciaal trainingsprogramma opgezet met doel de Nederlandse titel tijdrijden.
De uitbraak van de coronacrises gooide alles in de war. Koersen zijn tot eind augustus opgeschort.  Leijnse, evenals al zijn ploeggenoten werden naar huis gestuurd. Waar hij inmiddels in de polders rondom zijn woonplaats iedere dag op zogenaamde wintertrainingsschema’s zijn conditie op peil houd.   Enzo Leijnse houd evengoed zijn moraal op peil.  Al was het alleen maar het fietsmateriaal waar hij nu op rijdt. Reed hij vorig jaar nog op een oude, opgelapte koersfiets, nu staat  de garage van zijn vader vol met hightech materiaal.
Dat het profbestaan hard en onvoorspelbaar is,  weet hij inmiddels ook. Amper was de inkt van z’n contract opgedroogd, of er werd bij huize Leijnse aangebeld. S ’Morgens om zes uur wel te verstaan. Dopingcontroleur op de stoep. Wat een gepensioneerde Limburgse huisarts bleek te zijn, die Leijnse   uitgelegde dat iedere neoprof direct zijn plasje moet inleveren als de zogenaamd ‘nulcontrole’.
Van Enzo Leijnse begeleidt door oud-prof Roy Curver, wordt verwacht dat hij op een positieve manier de naam van zijn sponsor uitdraagt.  Knalde hij vorig jaar tijdens trainen nog wel eens door een rood stoplicht, nu wordt gewacht. Net als iedere wielerliefhebber hoopt Leijnse komende augustus weer aan de start van een koers te staan. Met Leijnse gaat het ongetwijfeld goed komen.

‘Plof’

‘De beroemdste renners rijden op Continental-Pneumatic’, aldus een reclamekaart uit 1909 en uitgegeven in grote oplages. De reclameman van de Continental-bandenfabriek zat nergens mee. Zonder enige kennis kletste de man er maar wat op los. De tubes van  de gelijknamige bandenfabriek, – trouwens van al die andere toenmalige fabrikanten –  deugde niet. Deze waren levensgevaarlijk. Die  banden  vertoonde namelijk een grove fabricagefout.
Op de Continental-Pneumatics, waren de stayers tijdens  de belle epoque hun leven  niet zeker. Met de komst van de zware gangmaakmotor, zo rond 1900 tot 1914 verongelukte tweeënveertig stayers, waarvan meer dan de helft door een ontploffende voorband. Ook de stiel van gangmaker was bloedlink. Gangmakers als een Jozef Schwarzer, Charles Peque, Hendrik Haeck en Gussie Lawson verongelukte tijdens een stayerskoers. Oorzaak? Een klapband.
Vooral het ongeluk van Gussie Lawson, tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden op 7 september  1913, mocht er zijn. De voorband van  Gussie, met negentig per uur, krijgt een klapband. De zware  Durkoppmotor slaat om, en  verpletterd daarbij, de aanstormende stayer Richard Scheuermann. Richard en Gussie vertrokken gezamelijk naar de Grote Stayershemel.
De Amsterdamse stayer Piet Dickentman zette dat aan het denken. Dickentman deed een onderzoek en concludeerde dat die tubes  waren voorzien van een verticale canvaslaag. Ook de samenstelling van het rubber was niet goed. De banden versleten te snel.
Zo rond 1910 kwam Dickentman er achter dat de tubes voorzien moesten zijn van zogenaamd diagonaalcanvas, wat spontane ontploffingen minimaliseerde. De banden van  de gangmaakmotoren waren ook niet helemaal koosjer.  Tijdens de koers moesten de stayers regelmatig van motor wisselen. Door de bochten waren de banden aan één kant versleten.
Dan kwam de tweede motor naast de renner rijden die dan vervolgens, in volle snelheid overwipte naar de verse motor. Vervolgens werden de banden van de eerste motor op het middenterrein omgedraaid…!
Of de jongens op de reclamefolder, onder contract staande bij de Continentalfabriek, de Pneumatics hadden overleeft? Stayers als een Bobby Walthour, Henry Contenet, Fritz Ryser, Thuur Vandenstuyft, Bruno Demke en Piet Dickentman wél. Met de aantekening dat ze meermalen, op raadselachtige wijze  een klapband hadden overleeft.
Fritz Theile, foto links, kende die mazzel niet. Tijdens de Grote Pinksterprijs van Berlijn, gehouden op 4juni 1911 hoorde Fritz, boven het geraas van zijn gangmaakmotor uit, vanuit z’n voorband  die onheilspellende ‘plof’. Fritz Theile werd 27 jaar.  

Bron onder meer ‘Flirt met de Dood’, geschreven en uitgegeven door Stuyfssportverhalen, Sportalbum Der Radwelt jaargangen 1902 tot en met 1914.

Boulevard der Verdriet

Piepende remmen. Lucht van verschroeid rubber. Krakende koersfietsen. Het zachte, weemakende geluid van schedels op hard steen.  Dan stilte! Onderbroken door gekreun. Geen ploegleider te ontdekken. En het peloton ijlt in de verte door.
Op de Boulevard der Verdriet krijgt ieder zijn deel, en wordt er géén onderscheid gemaakt. Maar wél toevallig dat het altijd de schlemielige knechten betreft.  Giuseppe Fallarini en Maurice Lavigne, broeders in het leed. Fallarini, een  bloedende hoofdwond,  door mannen met alpinopet van het asfalt geschraapt. Giuseppe vierentwintig jaar, afkomstig uit Piëmont, Italië.  Maakte als renner ondermeer reclame voor inmiddels legendarische ploegen als een Molteni, Bottecchia en Ignis-Frejus: voor de originele shirts, zijn hedendaagse verzamelaars bereid  om daar  een nier voor af te staan.
Een wetenschap die  Giuseppe op dat moment gestolen kon worden. Tijdens de zevende etappe van de Tour, anno 1958 had de man andere zorgen. Duizelig en wankelend zocht hij de restanten van zijn Frejusfiets. Het moet een deerniswekkend gezicht zijn geweest om Giuseppe Fallarini, zwaaiend op z’n karretje weg te zien rijden.
Dan was er ook nog Maurice Lavigne, een modale knecht, uitkomend voor een regionale Franse ploeg. Ach gossie, die Maurice, als Lord Wanhoop gesneuveld op boerenlandweggetje.  Dat moet die ene anonieme vrouw ook gedacht hebben. Zo’n moedertype overlopend van empathie, die al het leed van de wereld op haar schouders neemt. Madam Anonyme, met zo’n  typische jaren-50 haarkapje deed wat ze kon doen.
’Ach jongen toch, heb je zoveel pijn…’?, lispelde ze ongetwijfeld haar troostende woordjes. Waarbij ze natuurlijk aan de moeder van Maurice moest denken.
Maurice Lavigne en Giuseppe Fallarini , twee onbekende knechten wiens namen voortleven in de  bijschriften van twee wondermooie foto’s gepubliceerd in de Miroir de Sprint 1958. Jongens die evengoed hun kleine deel uit de wielerkoek wisten te peuzelen.
Giuseppe acht jaar prof, won acht koersen. Maurice Lavigne had het na drie jaar met zes gewonnen koersen wel bekeken. Dat de Engelsman Brian Robinson de etappe won is ter kennisgeving. Aardiger is dat Maurice Lavigne drie jaar geleden, op zevenentachtig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.
Iets waar Giuseppe Fallarini nog niet aan toe is. De man is met zijn zesentachtig jaar nog steeds onder ons.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: