Jonker wil iets moois achter laten

jonkertjeFietsen achter zware motoren was een van ouds her Amsterdamse aangelegenheid wat begon in 1903 toen Amsterdammer Piet Dickentman in Kopenhagen wereldkampioen stayeren werd. Decennia lang mateloos populair bij het publiek, maar met het iets te veel ‘regelen’ door corrupte gangmakers en de sloop van de Stadionbaan begon de teloorgang. Tot twee jaar geleden, toen Jan Jonker het niet langer meer kon aanzien en de sport van de mestvaalt haalde. Inmiddels is de stayersschool van Jonker is tot ver over de landgrenzen een begrip.

Hoe de verhouding zich het best laat omschrijven? Als een bromfiets met een Harley Davidsson. Want wie vroeger de zware gangmaakmotoren gekend heeft, moet even wat wegslikken bij het zien van de tien 80 cc motortjes die op het middenterrein van het Velodrome staan opgesteld. Bij hardop geuite twijfel bezweert Jan Jonker (71) dat het wel degelijk met stayeren te maken heeft.
Jonker is niet zomaar iemand maar een man voor wie de stayerssport een manier van leven is. Als actieve renner heeft hij achter de ruggen van gangmakers Frits Wiersma, Bertus de Graaf en Joop Stakenburg gereden: stayerslegenden die jaren gelden zijn gaan hemelen.
Dat waren nog eens hoogtijdagen voor de sport met iedere week een vol Olympische Stadion. Jonker kijkt niet om naar vroeger. Alleen het nu telt en dat is stayeren anno 2004.
En dan mag een debuterende renner grinniken bij het zien van Jonker’s motorpark, maar het lachen vergaat hem wel als het startschot is gevallen. Jonker kent namelijk zijn pappenheimers. Hij heeft de rol achter de motor, waar de renner tegen aan rijdt, op zeventig centimeter gezet, ver genoeg om zo’n renner met de Heer te laten praten, of in jargon: afzien tot het gaatje. In een vrijwel uitgestorven sportdiscipline waar gangmaakmotors niet meer te krijgen zijn is het een raadsel waar de motors vandaan kwamen. Jan Jonker gaat het geheim onthullen.
,,Het stayeren was helemaal weg, er waren geen motoren meer, niets. De Amsterdamse ondernemer Harry Mater, net als ik helemaal gek van de sport, heeft een heleboel van de sloop gered. Ik wist dat hij in het bezit was van tien lichte motors en ben met hem gaan praten. Eerst wilde hij niet want hij vindt het relikwieën en is daar heel zuinig op. Uiteindelijk mocht ik er een lenen en heb die omgebouwd naar de eisen van het Velodrome. Iedereen op de baan was wild enthousiast, ook Mater, die meteen overstag ging, en ik mocht de rest bij hem op halen.’’
Voor het eerst in jaren klonk in het Velodrome de kreet ‘motoren in de baan’. Maar er was een klein nadeel: al draaide de gangmakers de gaskraan wagenwijd open en fietsten de renners de spijkers uit de baan, inhalen was er niet bij. Dat lag niet aan de longinhoud noch aan de benen van de coureurs.
,,De motors hadden te weinig cc en vermogen. Passeren ging vaak niet omdat je niet extra gas kon geven. Van mijn eigen geld heb ik tien nieuwe motorblokken gekocht, en stak daarmee aardig mijn kop uit. Ik ben de rondte ingegaan om sponsors te vinden. Nee, niet alles is binnen, maar als ik het financieel niet rond krijg heb ik pech gehad. Dat geld interesseert mij niet zoveel. Ik heb het gedaan om het stayeren over eind te houden. Als ik er niet meer ben laat ik iets positiefs voor de sport achter.’’
Vroeger, die heerlijke tijd waar geen regeltjes of bedilzucht van de overheid bestond, zaten ze nergens mee. Renners fietsten vlak tegen de motor en haalden daardoor snelheden van over de honderd kilometer. Dan kreeg je spektakel, zoals in 1909 in Berlijn waar een motor de bocht uitvloog in de tribune terecht kwam en acht toeschouwers deed hemelen. Is de kans groot dat het publiek in het Velodrome ook een motor op de schoot krijgt?
,,Nee dat is onmogelijk,’’ sneert de nog vitale Jonker, ,,Vroeger reden ze met zware motors van tweeduizend cc en de renners met een versnelling van 70 tanden voor en 14 achter. Op een kleine baan, zoals hier, rijden ze met 65 voor en 18 achter. Evengoed rijden de renners zich conditioneel kapot,’’ verzekert hij. Dat de inspanningen van Jonker respons heeft bewijst het aantal deelnemers, dat zich zondagmorgen in het Velodrome melden. ,,Wij zijn pas twee jaar bezig en met veel succes. Kijk maar naar de startlijst. Vandaag starten er veertien renners die over twee series rijden.Ze komen zelfs uit Duitsland. Wij zijn, samen met de baan van Alkmaar, de enige in Europa waar ‘s winters gestayerd wordt.  Het zijn jonge renners die het willen leren maar ook de gangmakers zijn nieuw. Ze willen er allemaal invliegen.’’
Gangmakers stonden vroeger niet bekend als de Heilsoldaten van het baanwielrennen. Praktijken van elkaar kunstjes flikken en besodemieteren hadden ze tot een kunst verheven en wereldkampioenschappen waren verworden tot een soort termijnmarkt waar de titel te koop was. Of de mannen van Jonker deugen?  ,,Hier wordt rechtuit gereden, zonder afspraken. Laat ik het niet merken dat ze de boel bedonderen,’’ klinkt het oprecht en onheilspellend.

geplaatst: Amsterdams Stadsblad

Geplaatst in Wielrennen. 1 Comment »

Eén reactie to “Jonker wil iets moois achter laten”

  1. wim van eyle Says:

    Prachtig dat verhaal over die ouwe stayers. Ik herinner mij
    nog het verhaal rond gangmaker Wiestra die tegen een
    jonkie tijdens het inrijden fluisterde: He jij je spijker bij
    je? Onbegrijppelijk voor de leek, maar hij bedoelde heb je
    de spelden bij je? Spelden waarmee de gangmakers de mouwen van hun pak aan het borstgedeelte vastmaakten
    waardoor de windvang weer een beetje anders werd!!
    Wim van eyle


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: