Schele koppijn op de prairie

kerkhofffToen klonk een doffe ‘plok’, wat een ‘duivenei’ op mijn hoofd én schele hoofdpijn opleverde. Even tevoren was ik juichend opgesprongen, en dat gebeurde op een zondagmiddag, ergens in de late jaren vijftig. Ik heb daar letterlijk een tik aan over gehouden! Vijfenveertig jaar later bevind ik mij in het zuiden van Arizona,: want ik laat mij nu echt niets meer wijs maken.

De matinee werd altijd geopend met tekenfilms en in de pauze gebeurde er iets dat ik in mijn latere leven nooit meer ben tegen gekomen en wat ze in Engeland de normaalste zaak van de wereld vinden: samenzang. Bioscoop de Royal aan de Nieuwendijk, had een prachtig klinkend bioscooporgel, zo één die letterlijk voorzien was van alle ‘toeters en bellen’.

Dan begon het licht langzaam te doven en op het bioscoopscherm verschenen de teksten van de te zingen liedjes. Aan het orgel, met zijn kop in een spotlight als een stralende zon in het duister, Bernard Drukker.
We zongen over, ‘Het boemeltje van Dokkum’, ‘Daar bij die molen’, en ’Naar de bollen, die heerlijke bollen’. Het woordje ‘bollen’ hadden wij, collectief en zonder afspraak, vervangen door ‘hoeren’: wat wij uit volle overtuiging mee brulden.
Bernard placht altijd even over zijn schouder de zaal in te kijken, en knikte goedkeurend. En wij, de jongens van de geboortegolf, wisten dat het goed was… Ik heb nooit meer zó fijn gezongen als toen.
Klapperende saloondeurtjes
Dán pas begon de hoofdfilm. In mijn herinneringen waren dat altijd westerns, door ons ‘kojbojfilm’ genoemd, met Gary Cooper, John Wayne en Grace Kelly in de hoofdrollen. Het onderwerp was simpel want het ging altijd over bankroof, postkoetsovervallen, veediefstal, revolverduels, stoffige straatjes met galopperende paarden, en openslaande klapperende saloondeurtjes: als de schurk van dienst de kroeg betrad. Wat ook diepe indruk maakte was een cowboy starend in de loop van een Colt die zijn laatste, zilveren dollars moest afstaan aan een schurk. Ik was twaalf jaar, zat te sidderen van genot, maar wist ook, intuïtief, dat er iets niét goed zat.
Cowboys voorzien van perfecte, gladgeschoren EO-koppen, met van die rare kleine hoedjes en kleding aan waar geen smetje vuil op zat, dat klopte gewoon niet.
De ongeschoren zwerver Josey Wales, gespeeld door Clint Eastwood, die onder dreigende muziekklanken van Ennio Morricone, het Mexicaanse stadje San Miquel binnenrijdt en tegen de dorpsdoodgraver in het voorbijgaan mompelt dat hij alvast drie doodskisten kan klaar maken, daar waren wij, in 1959, nog lang niet aan toe.
Ik begon een hekel te krijgen aan die westerngluiperds. En het onvermijdelijke gebeurde. Toen een of andere ‘vuige roodhuid’ bezig was zo’n onberispelijke revolverheld te scalperen sprong ik, als enige, juichend op. Met een leeg colaflesje werd ik, door een jongetje dat daar iets anders over dacht, neer geknuppeld.
Sterlingsilver
Ik heb aan die zondagmiddag, letterlijk, een tik over gehouden. Zo heb ik nú van die dagen dat ik geschoeid ga op westernlaarzen, mét een classic Wrangler jeans, opgehouden door een riem met gesp van ‘Sterlingsilver’, en afgekleed met een colbertje van het model ‘scherpschutter’: ieder mens heeft recht op zijn afwijking.
Ik mag dan niet helemaal goed snik zijn maar ben wél goed ingelezen in de materie. Twee planken van mijn boekenkast staat vol met werken over de geschiedenis van ‘The Wild West’. Ook heb ik, op locatie, participerend onderzoek gedaan.
Mij kunnen ze nu niets meer wijs maken…
Eén grote déjavu
Het is het uitzicht wat de plek uniek maakt. Vanaf de begraafplaats, boven op een heuvel, kijk je uit over een door de zon geteisterde, zinderende en stoffige prairie, omzoomt door de Dragoon Mountains. Er staan metershoge cactussen, in de knallend blauwe lucht, loom zwevend op de thermiek, gieren, en als een potloodstreep loopt de interstate 80 dwars door het land heen.

Ik bevind mij op Boothill Graveyard, vlak buiten het dorpje Tombstone, in het zuiden van Arizona, zo’n zestig kilometer van de Mexicaanse grens. Als de ‘Wild West’ geschiedenis heeft dan is het allemaal in Tombstone terug te vinden. Nergens kwam ik zoveel tastbare herinneringen tegen aan zondagmiddagen in de Royal, als in dát plaatsje. Eén grote déjavù.
Tombstone, gesticht rond 1870 door zilverzoekers, die daar grote voorraden van het glanzende metaal vonden, werd een ‘Booming Town’. Rond 1880 telde het plaatsje vijfduizend inwoners had honderdtien kroegen en meer dan duizend hoeren, die eerst een vergunning moesten kopen alvorens hun ‘kruis’ ter beschikking te stellen.
Het stadje lag buiten de gezaggrenzen van Washington. Het recht was die van de sterkste en kwam, letterlijk, uit de loop van een Colt of Winchester, want alleen een suïcidale zwakzinnige had trek om daar de wet te handhaven.

Boothill Graveyard werd in 1879 geopend en met tweehonderdvijftig mannen en een enkele vrouw, die vrijwel allemaal op een gewelddadige manier ter hemel zijn getrokken, was het kerkhof in 1884 overvol. De houten grafzerken maken een verdacht frisse indruk alsof ze gisteren geplaatst zijn.

Sixshooter Jim

De beheerder van het souvenirwinkeltje én van het kerkhof, geeft uitleg. Volgens hem had dat allemaal te maken met de opkomst en populariteit van de westernfilm, zo’n zestig jaar geleden. Het toenmalige gemeentebestuur besefte dat ze iets unieks binnen de gemeentegrens hadden en begonnen het vervallen kerkhof te herstellen. Sindsdien wordt de begraafplaats én de zerken goed onderhouden.
kansas kid010B
lij en opgelucht met die uitleg begin ik aan mijn tochtje over Boothill Graveyard en kuier onder meer langs de rustplaats van de Kansas Kid, een onbekende cowboy, omgekomen bij een op hol geslagen kudde. Ik ga verder en passeer het gemeenschappelijke graf van Dan Dowd, Red Sample, Bill DeLaney en Dan Kelly, die, zo lees ik op hun steen, legaal opgehangen waren op 8 maart 1884.
Sixshooter Jim
De dood spaart niemand en is voor iedereen gelijk, maar leg dat maar eens uit aan wijlen George Johnson, die in 1882 ‘per ongeluk’ is opgeknoopt. ‘He was right, we was wrong, but we strung him up, and now he’s gone’, was het hilarische goedmakertje, wat de doodgraver in zijn steen beitelde.
Via de graven van Sixshooter Jim, door Burt Alvored neergeschoten, en John Heath, gelyncht in 1884 door de Bisbee Mob, kom ik uit bij de plek waar Dutch Annie op de ‘jongste dag’ ligt te wachten. Annie, zo lees ik in het gidsje, was de Queen van het toenmalige Red Lightdistrict en overleed aan tuberculose. Bij Annie’s ter aarde bestelling namen duizend diep bedroefde mensen afscheid van haar, waarvan ik het donkerbruine vermoeden heb dat dat allemaal mannen waren. Ik heb genoeg gemijmerd en wil nu actie.

Tombstone, om precies te zijn, het Historic District, kent vele monumenten en wandelen door Allen Street met zijn houten huizen én trottoirs, is terecht komen in het ultieme Hollywooddecor. Tombstone is ook het Volendam van de Western en dat zou ik weten ook!

Vandaag is het de eerste zondag van de maand, door de lokale VVV uitgeroepen tot ‘Wild West Day’ en waar iedere Tombstonian zijn of haar rol in heeft. Het centrum is autovrij gemaakt en de locals lopen allemaal western-correct gekleed. Boeren van omliggende farms hebben die dag hun pick-up truck laten staan en zijn per paard naar Tombstone gekomen: paard vastgebonden aan de balk voor het trottoir. Surrogaatcowboys, uit alle delen van de wereld, lopen op hun krakend nieuwe laarzen stoer te stampen op de houten trottoirs. Door het stadje rijdt ratelend een postkoets, getrokken door vier paarden, en zit overvol met toeristen. Ik laat de stagecoats voor wat die is en bezoek eerst de O.K. Corral, wat voor western-adepten verplichte kost is.
corral009
Clantonbende
O.K. Corral is een openlucht paardenstal met omheining en was in oktober 1881 het decor van het historische vuurgevecht tussen Doc Holliday, Wyatt Earp versus de Clantonbende , en door Hollywood later, volledig uitgemolken. Een kaartje kost vijf dollar. Voor dat bedrag krijg ik dan ook nog een real gunfight te zien, wordt mij beloofd: wat van een grensoverschrijdende lulligheid blijkt te zijn. Op de binnenplaats spelen een stuk of tien kerels cowboytje. Na het vuurgevecht sta ik in een verstikkende blauwe kruitdamp.

Van de meer dan honderd saloons die Tombstone ooit telde, zijn er nog drie over en volgens de uitbater is zijn kroeg de mooiste ten westen van de Mississippi. Of dat waar is weet ik niet maar Big Nose Kate is wel de allerberoemdste saloon van Arizona. Amerika telt weinig monumenten en als ze er één hebben dan hangt er, per definitie, een koperen bord met de geschiedenis aan het gebouw. Ook bij Big Nose Kate alwaar ik lees dat de saloon stamt uit 1881, en dat aan de inrichting sindsdien weinig is verandert.

Klapperende saloondeurtjes

Historische figuren, die allemaal de drempel zijn gepasseerd, worden ook vermeldt. Het is alsof ik de volledige literaire werken van Lukey Luke onder ogen krijg, want Ike Clanton, Frank en Jesse James, de Dalton Brothers, Billy the Kid, Doc Holliday, Wyatt Earp én Calamity Jane mochten bij Kate graag een afzakkertje halen.
Het interieur stelt mij niet teleur. Alleen al de binnenkomst door die klapperende saloondeurtjes… Onwillekeurig laat ik mijn rechterhand zakken, tien centimeter onder mijn heup en vlak boven een denkbeeldige revolver.
De acht meter lange toog is van donker eikenhout, aan de achterkant voorzien van een grote spiegel. Aan de plafonds olielampen, boven de piano een bordje met Don’t shoot at the pianist, op de geschuurde houten vloer koperen kwispedoors en aan de grote ronde stamtafel zitten, geloof het of niet, een vijftal cowboys poker te spelen, met op tafel stapeltjes zilveren dollars.
Bier bestellen is een avontuur op zich. De ‘bartender’ tapt deze in grote glazen pullen mét handvat en slingert die, metersver, over de toog naar je toe. Na twee slokken besluit ik tot mijn ultieme daad! Ver achterin mijn keel scheur ik een vette rochel los en mik deze behendig in de daar voor bestemde kwispedoor. Een afkeurende blik én opmerking van mijn vrouwelijke reisgenoot volgt, wat mij niets kan schelen, want ik sta op historische grond en weet heel zeker dat Dutch Annie er begrip voor had…
Kogelgaten
‘Howdy’ is de begroeting die ik krijg van een zekere Tex. Met zijn verfomfaaide kleding en hoed oogt Tex of hij zojuist een complete op hol geslagen kudde koeien in zijn eentje tegen gehouden heeft. Tex kom ik tegen in het Bird Gace Theater, enkele panden verder voorbij Big Nose Kate. Met een verlekkerde blik wijst hij naar de honderdveertig kogelgaten in de muren en plafonds: stille getuigen van de zestien vuurgevechten die hier plaats hebben gevonden.
Frivole schilderingen
Het theater was tussen 1880 en 1889 vierentwintig uur per dag geopend en werd in 1889, compleet met inrichting, dicht gespijkerd. Pas in de jaren dertig van de vorige eeuw, werd ze aan de vergetelheid ontrokken. Een onverwachte meevaller. Het theater is nu precies zoals ik dat in de vele Westernfilms zag.
Aan de muren en plafonds wulpse en frivole schilderingen, olielampen en aan weerzijden van de speelvloer en toneel veertien ‘kooien’ waar de mijnwerkers en cowboys zich lieten verwennen door de ‘lichtekooi’van hun keuze. Dat Lily Langtree, toenmalig Sweathart of the cowboys, daar nog is opgetreden neem ik voor kennisgeving aan. Tex beweert dat zijn ‘Cage’ het Sodom en Gomorra van de prairie was en om zijn woorden kracht bij te zetten vertelt hij dat de New York Times, in 1882, het Bird Cage Theater de meest verdorven plek van Amerika vond. Gelukkig heeft Tex nooit de Stoofsteeg bij nacht gezien.
We bedanken Tex voor zijn uitleg en krijgen van hem nog op het hart gedrukt om vooral naar het Tombstone Courthouse te gaan waar niet alleen onder de rechtszaal zich nog de gevangenis bevindt maar ook de binnenplaats met de originele galg.
Lopend door het Historic District breken hier en daar ’spontaan’ vuurgevechten los. Als ik het huilende geluid van een kogel hoor besluit ik om de auto op te zoeken. Losse flodders horen anders te klinken…
Kudde koeien
Tombstone ligt tien minuten achter mij en rijdend over de stille interstate 80 moet ik een noodstop maken. Vanuit de omringende heuvels steekt een kudde koeien de weg over begeleidt door een cowboy. Ik spring de auto uit om een foto te schieten en verwacht een stoffige en ongeschoren Josey Wales voor de lens te krijgen: een deceptie. De man ziet er onberispelijk uit, alsof hij op zijn paard op weg is naar de EO-jaarvergadering.
Rijdend richting Mexicaanse grens voel ik een schele koppijn opkomen…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: